Oneindig Noord-HollandBeleef de geschiedenis van jouw provincie
NL | EN

Gebedshuizen en vleeshallen

Een joodse gemeenschap heeft koosjere slachters en slagers nodig. In Amsterdam werd aanvankelijk door Portugese slachters volgens de religieuze voorschriften geslacht bij een Hollandse slachter. Later werd een houten vleeshal gehuurd, en in 1648 liet de Portugees-joodse gemeente een eigen vleeshal bouwen die tot 1815 in gebruik bleef.

Daar werd koosjer vlees verkocht: het vee wordt onverdoofd geslacht, door middel van een halssnede met een vlijmscherp mes, waarmee luchtpijp, slokdarm en slagaders worden doorgesneden, zodat het bloed uit het karkas wegvloeit. Bloed mag niet geconsumeerd worden omdat het ‘de levenskracht van een levend wezen’ vertegenwoordigt (Leviticus 17:11). De slachter onderzoekt het kadaver ook op de aanwezigheid van eventuele ziekten, die het vlees alsnog ongeschikt voor consumptie zouden maken. Vet, zenuwen en bloedvaten worden uitgesneden. Door middel van zouten onttrekt de slager ten slotte de laatste bloedresten aan het vlees.

Vleeshal

[Joode Vleeshal op Vlooyenburg] Voorgevel van de in 1649 gebouwde, vier verdiepingen tellende vleeshal op Vlooyenburg, die in 1893 werd gesloopt. Collectie Joods Historisch Museum

Vleeshallen

In 1671 liet de Hoogduitse gemeenschap aan de toenmalige Deventer Houtmarkt (nu Jonas Daniel Meijerplein) de Grote Synagoge bouwen. Er was ondertussen een kleine maar relatief bemiddelde groep Asjkenaziem ontstaan, die mede de bouw van de synagoge financierde. Op het achtererf van deze synagoge stond een houten vleeshal die de gemeenschap van ritueel geslacht vlees voorzag. De Hoogduitse gemeente had als enige het recht om koosjer vlees te verkopen aan haar leden; met de belasting op het vlees werden de religieuze en sociale instellingen van de gemeente gefinancierd. Het vlees was wel drie keer zo duur als het andere vlees dat in de stad werd verkocht, maar het was de gemeenteleden strikt verboden om vlees van andere slachters dan de Hoogduitse te kopen, zelfs al waren die joods. Dat vlees was treife verklaard, en het eten ervan kon worden bestraft met de ban. Vergelijkbare regels golden overigens voor de Portugese joden.

Grote Synagoge

De Hoogduytse Ioode Synagoge, 1693

Synagogencomplex

Al in 1685 bleek de Grote Synagoge te klein voor de groeiende Hoogduitse gemeenschap. Er werd besloten tot de bouw van de Obbene Sjoel, vlak naast de Grote Synagoge. Op de plaats waar eerst de houten vleeshal had gestaan, kwam in 1685 een nieuwe synagoge. Op de bovenste etage – vandaar de naam Obbene – werden de religieuze diensten gehouden. De onderste ruimte van het gebouw zou dienst doen als vleeshal. In 1700 en 1730 werd het synagogencomplex – waarin tegenwoordig het Joods Historisch Museum is gevestigd – uitgebreid met respectievelijk de Dritt Sjoel en de Nieuwe Synagoge.

Koosjerloodje

Koosjerloodjes bevestigd aan produkten zodat die als koosjer te herkennen waren. Ca. 1700-1725

Etensresten

Uit archeologisch onderzoek in de buurt van het Waterlooplein in Amsterdam blijkt dat, wanneer er in de zeventiende en achttiende eeuw vlees op het joodse menu stond, dit vooral rund- en schapenvlees was. Ook de rundertong, schapenkop en ingewanden werden gegeten. Resten van vis en gevogelte kwamen veel minder frequent voor. Verder werden tijdens de opgravingen specerijen als kaneel, kruidnagel, peper en saffraan teruggevonden, en zaden en vruchten uit het Middellandse Zeegebied, zoals vijgen en dadels.

Publicatiedatum: 21/02/2013

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.