Een keer per jaar eens écht uit de band springen!

‘Kermis, kermis moet er zijn, of wij slaan alles kort en klein’ schreeuwden protesterende kermissympathisanten in 1876. Op de Amsterdamse straten was er een waar kermisoproer gaande. Het oproer was het gevolg van het besluit van de gemeente de kermis af te schaffen.

Vooral de gewone man was kwaad dat de gemeente het enige moment van vermaak van hem afnam. Het hele jaar werkten zij met veel ijver en inspanning voor een klein loon. Het werk was vaak eentonig en zwaar waardoor het gezicht al op jonge leeftijd getekend werd door zorgen. Alleen tijdens de kermis hadden de arbeiders de mogelijkheid eens echt uit de band te springen. Er bestond geen groter contrast tussen het zware dagelijkse leven en de uitzinnige blijdschap tijdens de kermis. Op Noord-Hollandse kermissen was het in de negentiende eeuw dan ook een drukte van jewelste zoals blijkt uit dit gedichtje (1821):

‘Kermis,kermis! Welk een vreugd
Schenkt ge aan ouderdom en jeugd!
Maar wat ruischt het hier in de ooren!
Naauwlijks kan men zien of hooren.
Hoe verdringt men daar elkaer,
Bij dien duizendkunstenaar!
Hoor, hoeschreeuwt hij: ‘komt naar binnen,‘
aanstonds zal het spel beginnen;‘
nooit vertoond! – hier moet gij zijn!’

 

Kermis in Egmond aan Zee (omstreeks 1857). Uit: Provinciale Atlas Noord-Holland

Borreltje teveel

De gezellige drukte op bovenstaande prent vond plaats in Egmond aan Zee omstreeks 1857. Het hele dorp was uitgerukt naar de hoofdstraat waar de kermis plaatsvond. De makers van de prent beschreven dat de plaatselijke visser zijn viswagen voor de gelegenheid omtoverde tot een kar met zitplaatsen. Hij was wel even blij van het water af te zijn. Bij de herberg aan het strand laadde de visser op het droge zijn wagen overvol met mannen, vrouwen en kinderen. Het kermisvolk was duidelijk in een luidruchtige en opgewonden stemming door een borreltje teveel. De visser bracht de feestgangers in volle galop naar Egmond aan den Hoef, een nabij gelegen dorpje waar het ook kermis was. Daar dansten zij in de herberg, genoten van sterke drank en kermiskoek en keerden in nog meer beschonken toestand weer terug. In Egmond aan Zee duurde de uitzinnige vreugde tot diep in de nacht.

Pinkster-drie

Op het eerste oog zou je denken dat de kermisafbeelding gemaakt was om te laten zien wat voor kledij de Noord-Hollanders droegen. De prent werd namelijk oorspronkelijk afgebeeld in een prentenboek over Nederlandse klederdrachten. Als je echter de beschrijving bij de afbeelding leest, valt op dat er een sterke moraliserende les achter schuil gaat. Het leek dan wel een vrolijk onschuldig tafereeltje, maar eigenlijk keurden de makers Valentyn Bing en Jan Braet van Ueberfeldt het gedrag van de mensen af. Zij schreven: ‘de gevolgen der losbandigheden van dezen dag zijn dikwerf voor velen bedroevend, men zegt dan echter: ‘Het is op Pinkster-drie gebeurd’, en dit wordt beschouwd als een zeer verzachtende omstandigheid’.

Christelijk feest

De kritiek op de kermis kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Van oorsprong was de kermis onderdeel van een christelijk feest. In de middeleeuwen organiseerden pastoors ter ere van de inwijding van een kerk, naast de mis, een wereldlijk feest in de vorm van een jaarmarkt. De populariteit onder het volk voor deze markt was enorm. In de loop van de zestiende eeuw werd het feest een op zichzelf staande traditie en ging zij ‘kermis’ heten. Van heinde en verre kwamen er allerhande mensen zoals goochelaars, kooplieden, kunstenaars, dierentemmers, kwakzalvers, lotenverkopers en dichters om het feest bij te wonen.

Zedenboekjes

Langzamerhand was aan niets meer te merken dat de kermis eigenlijk christelijk begonnen was. Volgens de bestuurlijke elite en de burgerij in de negentiende eeuw kwam dit het gedrag van het volk dat de kermis bezocht niet ten goede. De kermis werd om deze reden een object van strijd in een waar ‘beschavingsoffensief’. Dit beschavingsoffensief hield in dat de burgerij, oftewel de welgestelde burgers, zich ging bemoeien met het onzedelijke gedrag van het volk. De burgerij had namelijk haar eigen ideeën over hoe het volk zich hoorde te gedragen. Rond 1820 verschenen daarom de eerste goede zedenboekjes. Deze boekjes waren bedoeld om het volk op te voeden met goede manieren en om te voorkomen dat zij zou vervallen in slecht gedrag. De kermis was de burgerij een doorn in het oog. Dit was namelijk de plek bij uitstek waar het volk zich misdroeg. Dat het volk zich in de ogen van de bestuurlijke elite ‘misdroeg’ kwam voort uit het harde en zware leven van het volk. Alleen tijdens de kermis kon de hardwerkende man zich even volledig ontspannen en alle teugels laten vieren.

Bessenpent

Naar het schijnt vonden de inwoners van Noord-Holland zichzelf het meest kermiszuchtige volk van de wereld. Het was maar eens per jaar kermis dus werd alles uit de kast getrokken. Al een week voordat de kermis begon startte de dorpelingen met voorbereiden. Zij hielden een grote ‘kermisschoonmaak’ waarbij het gehele huis op zijn kop stond. Tijdens de kermis kwamen familie en vrienden namelijk in een blinkend huis bijeen om de kermis na de kerkmis van twaalf uur in te luiden. Echt veel zin hadden de feestgangers niet meer in de mis, vertelde een journalist van het Algemeen Weekblad (1857); ‘in de hoop dat de heeren predikant en pastoor het kort zullen maken’, gingen zij naar de kerk. Na afloop genoten zij thuis van koffie, janhagel, jodekoeken, krakelingen en bollen. ’s Avonds genoot het kermisvolk van soep, erwten met rozijnen, suiker, bessenpent en boereboter.

Kermispakkie

De kermis was zo belangrijk voor de gewone mensen dat zij voor de gelegenheid de mooiste kleren uitkozen. Diegenen die het ietsje breder hadden lieten voor de gelegenheid een ‘kermispakkie’ maken. Anderen vermaakten zelf een oud kostuum. Vrouwen droegen volgens de traditie kanten kappen en de mannen droegen zwarte zijden petten en horlogekettingen op de vest. Ook namen schippers kostuums mee uit de kolonies in Oost- en West-Indië. Een voorbeeld hiervan is te zien op de prent van Egmond aan Zee. De man in het midden in het geel draagt duidelijk een Oosters pak en heeft zich laten inspireren door een Aziatische snor.

Luid gejuich

Uiteraard was de kermis ook voor kinderen een groot feest. Al een week van tevoren gingen zij de deuren langs om liedjes te zingen in de hoop op een ‘kermisprijs’, een kleine bijdrage. Noord-Hollandse kinderen zongen dan ‘gooi een centje in de bus, voor een mooie kermismus’. Elk centje was meegenomen, want de ouders hadden het vaak niet breed. Toch gaven vaders en moeders handenvol geld uit om het hun kinderen naar de zin te maken.’ Net voordat de kermis begon konden de kinderen niet meer stil zitten in de klas. Als de klok dan eenmaal twaalf uur sloeg waren zij dan ook niet meer te houden. Leraren probeerden de leerlingen in bedwang te houden maar dit was tevergeefs. ‘Hoerah!’ riepen zei in koor en vlogen naar buiten met luid gejuich.

Tieners

De Kermis was ook een mooie gelegenheid voor tieners en jongvolwassenen om elkaar zonder het bijzijn van ouders te ontmoeten. De traditie bestond dat als een jongen zijn oog had laten vallen op een meisje, hij haar thuis ophaalde en vervolgens mee uit nam naar de plaatselijke herberg. Zij dansten en dronken dan tot diep in de nacht. Was dit een succes, dan heette de nieuwe geliefde een ‘kermisvrijer’. Negen maanden na de kermis was er vaak een piek te zien in geboortes. Deze kindjes werden ook wel ‘kermispopkes’ genoemd, naar de dag waarop zij verwekt werden.

Dwaasheid

Tijdens de kermis was niets gek genoeg en werd er werkelijk met geld gesmeten. Met verbazing werd er gekeken naar het gemak waarmee het volk zich tot van alles liet overhalen. Normaal gesproken deed het volk maar moeilijk afstand van zijn geld, maar met kermis scheen er ‘eensklaps een geheel andere geest in de menschen gevaren te zijn.’ Volgens de maker van de prent moest en wilde men bedrogen worden. Er werd buitensporig gegeten en gedronken, activiteiten waar men anders de neus voor zou ophalen. Met kermis moest iedereen een dwaasheid begaan. Naar het scheen was dit volstrekt normaal en bijna de regel. Kooplieden, lotverkopers, eigenaars van spellenkramen en alle andere kermislieden hadden al snel door dat mensen in deze opgewekte stemming zich lieten verleiden tot het kopen van allerlei goed. Dit verklaarde het grote aantal van deze kooplieden die van kermis naar kermis trokken en daarmee hun brood verdienden. De ‘geheel andere geest in de menschen’ beschouwde de burgerij als een groot gevaar. In Noord-Hollandse kranten vanaf omstreeks 1850 schreef zij met grote weerzin over het gedrag van het volk op de kermis. Een van de belangrijkste bezwaren was het overmatige alcoholgebruik. In de Schuitemakers Purmerender Courant (1892) schreef een journalist:

‘neen, het is de drank en de drank alleen, dien men als de oorzaak van dit en van onnoemlijk veel ander kwaad te beschouwen heeft. Er zijn er op eene kermis maar te veel, die pas vroolijk meenen te kunnen worden, als zij zekere hoeveelheid sterken drank naar binnen hebben geslagen.’

Een verontruste man schreef in dezelfde krant ‘We loopen tegenwoordig hoog met het pogen om het volk te veredelen en te beschaven, maar omtrent het welslagen van dat streven koester ik geen ernstige hoop.’ Toch hield de burgerij moed dat het beschavingsoffensief eens aan zou slaan.

Taalgebruik

Naast het alcoholgebruik vormde ook het taalgebruik tijdens de kermis voor deburgerij een groot punt van ergernis. Volgens de Purmerender Courant (1869) bestonden er twee soorten van volksgezang: ‘een gemeen, vuilaardig, en zedenbedervend’ en ‘een opwekkend, rein en veredelend volksgezang.’ De persoon die de zedenbedervende liederen zong was volgens de journalist niet alleen een vuilak, maar ook ‘een misdadiger die in koelen bloede zielen verpestte en vermoordde’. Het was daarom zaak deze personen onschadelijk te maken voor de maatschappij en de vuilaardige liederen uit te roeien. De journalist vertelde dat er al een oplossing voor handen was. De burgerij wilde draaiorgelmannen voor hun karretje spannen. Zij konden tijdens de kermis optreden en de fatsoenlijke liedjes voordragen in de hoop dat het volk het goede voorbeeld over zou nemen.Er waren ook enigszins positieve geluiden te lezen in de kranten, maar deze gingen vaak toch gepaard met een afkeuring. Vooral rond de jaren 1850 gunde men de arbeider best een pleziertje, mits hij zich goed gedroeg. Hoe kon hij ook weten, vroegen sympathisanten zich af, hoe hij zich moest gedragen als er geen formulieren te vinden waren ‘hoe te eten, hoeveel te drinken, welke soort spijs en drank men moest nuttigen, noch hoe te dansen.’

Katgooien

In 1857 schreef een journalist dat er een teken was van een zekere toenemende beschaving. Het traditionele ‘katgooien’ was namelijk in een aantal dorpen vervangen door ‘houtgooien’. Dit wilde hij graag melden om de reputatie van de Noord-Hollandse kermis een beetje te zuiveren. Dit was echter een onbegonnen zaak. In de jaren zestig van de negentiende eeuw verscherpte het negatieve beeld van de kermis. De weerzin tegen de Amsterdamse kermis liep zo hoog op dat een schrijver voor de krant (1869) opperde ‘in het waarachtig belang van het volk (…) de hedendaagse bacchanalien, die men nog kermissen gelieft te noemen, te verbieden. Het was immers niet gelukt de mensen dusdanig te beschaven dat zij zich netjes gedroegen tijdens het volksfeest. Ook al was het beschavingsoffensief mislukt, toch kregen de beschavers hun zin. Gemeenteraden van kleine dorpjes als Nibbixwoud legden de kermis zwaar aan banden. Waarzeggers, draaimolens, liedjeszangers, orgeldraaiers en vertoningen in strijd met de goeden zeden werden niet langer toegelaten. In 1871 probeerden een aantal hoge heren in Amsterdam het te doen voorkomen alsof zij de kermis wilden afschaffen vanwege het gevaar van besmetting van de pokken. Deze ziekte was echter voor een groot deel een dekmantel voor 1876. In dit jaar besloot de gemeente Amsterdam namelijk de kermis definitief af te schaffen, met alle gevolgen van dien.

Tekst: Linda Gompelman

Publicatiedatum: 23/03/2012