Jo van Langen werd op 8 december 1939 als derde kind van een gezin van twaalf kinderen geboren. Het gezin bewoonde een kleine boerderij in de Overweerse Polder 59. Dat was toen nog landelijk gebied tussen Kwadijk en Purmerend. De boerderij was één van de laatste drie huizen voordat Kwadijk begon.
Haar familie had het niet breed. De plee stond buiten en één keer per week leegde pa de emmer op de mesthoop. Als je moest telefoneren ging je naar de buren, want die hadden een telefoon. Bij diezelfde buren moest Jo als negenjarig meisje met een melkbus voor op de transportfiets water halen, als de bak met regenwater bij haar thuis door een droge zomer leeg was.
’s Zaterdags werd er een grote afwasbak op tafel gezet waar de kleintjes in werden gewassen, want een waterleiding hadden ze niet. Als je je ’s morgens wilde wassen, nam je een bakje water mee naar je slaapkamer. Vroor het, dan moest je dat ijs eerst stuk hakken. “De boerderij had alleen een kachel in de huiskamer,” herinnert ze zich, “dus in de winter gingen we ’s morgens altijd naar de koeien in de stal; dat was tenminste behaaglijk.”

De familie Van Langen, met Jo helemaal rechts. De foto stamt uit 1948, toen vader en moeder 12 ½ getrouwd waren. Foto uit het familie-archief.
Anekdotes
In het boekje dat ze over haar jeugd schreef, en dat de periode 1939-1963 beslaat, haalt ze een paar anekdotes op. Over haar vader bijvoorbeeld, die in schapen handelde en elke dinsdag de veemarkt van Purmerend bezocht. Afgerekend werd er in het café, en dat ging met menig borreltje gepaard. Als pa dan naar huis terugkeerde, hadden de kinderen uit de buurt zich in een boom verstopt om te zien hoe hij pas na een paar mislukte pogingen met zijn transportfiets de helling kon nemen. Dat deed hij onder het zingen van Gregoriaanse liederen; hij zat immers op het mannenkoor van de kerk.

Jo met ‘het boek’ van haar vader. Dat was een leren portefeuille, waarin haar vader, die veehandelaar was, zijn geld bewaarde. De ketting werd veiligheidshalve aan een knoopsgat vastgemaakt. Bijna alle handelaren die de wekelijkse veemarkt in Purmerend bezochten hadden zo’n beurs. Foto: Arnoud van Soest.
Jo kwam uit een groot gezin, dus het wassen van hun kleren was nog een heel gedoe. Het wasgoed werd eerst in de week gezet en vervolgens gekookt in twee grote ketels, waarvan het water met petroleumstellen werd verwarmd. Daarna werden de kleren met een wasbord en zeep schoon geboend. Later wist vader een tweedehands wasmachine op de kop te tikken. Sindsdien gooide moeder het wasgoed in een houten kuip, die het wasgoed heen en weer slingerde. Daarna werden de kleren door de wringer gehaald en buiten aan de lijn opgehangen. Soms hingen er wel veertig onderbroeken te wapperen. Een zus van Jo kreeg elke maandag vrij van school om moeder met de was te helpen.

Zus Truus helpt moeder met het ophangen van de was. Foto uit het familie-archief.
Blubberwegen
Openbaar vervoer was er in die tijd niet, dus elke ochtend moest Jo een half uur naar de meisjesschool aan de rand van Purmerend lopen. Toen ze negen was, kreeg ze een fiets, maar ook toen was de tocht naar school niet altijd een onverdeeld genoegen, want je moest over een onverharde weg vol kuilen. Als het dooide was er helemaal geen doorkomen meer aan. ‘Dan was de weg zo slap, dat het leek of je banden lek waren.’ De boerenkinderen bonden plastic zakken om hun schoenen, om de ergste blubber op te vangen.
Comfortabel was het landelijke leven dus allerminst, maar natuurlijk vermaakten de kinderen in de polder zich wel. Ze sprongen over slootjes en zwommen in de ringvaart. “Ik heb mezelf zwemmen geleerd. Je kon in mijn jeugd wel zwemles krijgen, maar dan moest je helemaal naar Zaandam en dat kostte 75 cent per les. Dat was te duur. (…) Maar als je een kind kwijt was, gingen we altijd als eerste bij de prutslootjes zoeken.”

Een jeugd tussen de koeien. Op deze foto is de schoonzoon van buurvrouw Tol met kind te zien. Foto uit het familie-archief.
Onweer
In haar boekje beschrijft Jo hoe kinderen vanaf de hooiwagen zagen hoe de lucht ineens heel zwart werd, het onweer losbrak en een koe van boer de Wit door een bliksemschicht werd gedood. Dat heeft ze niet zelf meegemaakt, maar van anderen gehoord. “Ik heb wél meegemaakt dat als het ’s nachts onweerde, mijn moeder ons wakker maakte. Ze zette dan alvast een tasje met belangrijke papieren en geld klaar en wij moesten de rozenkrans bidden.”
Gelukkig bleven ze ongedeerd, “maar ik herinner me wel dat bij Kwadijk een boerderij door de bliksem werd getroffen en afbrandde. Daar hebben we midden in de nacht naar staan kijken. Vond ik als kind wel interessant. Maar mijn zus heeft tijdens vakantie op Texel gezien hoe een man door bliksem werd geraakt en dood neerviel. Ik ben nog altijd bang voor onweer.”
Het katholieke kerkhof in de buurt had voor de kinderen iets geheimzinnigs. Er was een aparte plek voor mensen die zelfmoord hadden gepleegd, en voor ongedoopte kinderen. Als je niet gedoopt was, kon je natuurlijk niet in de hemel komen, maar ja, de hel, dat was natuurlijk weer het andere uiterste. “Die kinderen kon je natuurlijk niet naar de hel sturen, dus gingen ze naar het voorgeborchte, al heb ik nooit geweten wat ik me daarbij moest voorstellen. (…) Ja, wie dat verzonnen heeft.”

Jo schreef een boekje over haar jeugd in de Overweerse Polder.
Vakantiekolonie
Toen ze elf was ging ze met haar zus zes weken naar vakantiekolonie St. Jozeph in Egmond-Binnen. “Niet dat we wat mankeerden, maar de schooldokter vond ons te mager. We hadden het niet breed, maar we hadden in ieder geval geen honger. Die vakantiekolonie zat in een prachtig gebouw dat er nog steeds staat. We konden daar voor het eerst van ons leven douchen; ik wist niet wat me over kwam.”
“We sliepen met dertig kinderen in een paviljoen en we moesten op ons rechterzij slapen. Dat was goed voor ons hart, zeiden ze. Overdag konden we spelen en wandelen en tussen de middag deden we een dutje. Ja, we mochten wel naar zee, maar we mochten absoluut niet het water in. Vonden ze blijkbaar te gevaarlijk.”
Het was een leuke tijd, die zes weken in de vakantiekolonie. “Er waren kinderen die huilden, omdat ze heimwee hadden, maar ik vond het er geweldig, want anders dan thuis – we hadden een groot gezin – kreeg ik tenminste aandacht.”

Jo bracht haar jeugd door in een boerderij die tegen Kwadijk aan lag. Foto via Jo Haen-Van Langen.
Telegrammen
Toen Jo 15 jaar was, ging ze in Amsterdam werken bij de Rijkstelegraaf in het hoofdkantoor van de PTT in het huidige Magna Plaza, tegenover het Paleis op de Dam. “Ik tikte en verstuurde telegrammen. Dat waren voornamelijk zakelijke telegrammen, maar de gewone man verstuurde ook wel eens een gelukstelegram, op mooi papier, met bloemetjes. De tekst moest je bij het postkantoor opgeven, want niet iedereen had telefoon in de jaren vijftig. Telegrammen die voor Amerika waren bestemd, gingen via een ondergrondse buizenpost naar Western Union in de Beurs van Berlage, vanwaar ze werden verstuurd.”
“Het was heel saai werk,” herinnert ze zich, “maar er liepen bestellers rond met van die échte Amsterdamse humor, dus het was er altijd gezellig. Ik verdiende 71 gulden bruto in de maand, waarvan ik de helft thuis moest afstaan. Om bij mijn werk te komen fietste ik eerst naar Purmerend, waar ik mijn fiets in de stalling zette. Dan reden we met de NACO-bus naar Amsterdam-Noord waar het bootje van Bergman lag. Meestal kwamen dan net de in klederdracht gestoken dames uit Volendam en Marken met de tram aan, die in Amsterdam bij het OLVG de boel schoonmaakten. Vandaar stak je met het bootje van Bergman het IJ over naar het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis.”

Foto van de Overweerse Polder voordat de uitbreiding van Purmerend het landschap ingrijpend zou veranderen. Foto via Jo Haen-van Langen.
Een kleine wereld
Ze blikt met plezier op haar jeugd terug, ook al was het maar een kleine wereld waar niet veel gebeurde. Je ging naar school en zondag ging je naar de kerk; voor veel mensen was dat het enige ‘uitje’. “We hadden het niet breed en we woonden in een klein huis, maar we hadden de ruimte; we waren veel buiten. ’s Winters gooiden we een bak water over een open ruimte en daar maakten we een glijbaan van.”
In 1963, het jaar waarin ze trouwde, overleed haar vader. Tien jaar later verhuisde haar moeder en de kinderen naar een nieuwe woonwijk in Purmerend. Haar ouderlijk huis werd afgebroken en nu staan er flats met namen als De Purmer, De Beemster en De Wormer.
Haar moeder overleed in 2000. Ze werd begraven op de Algemene Begraafplaats van Purmerend. Tien jaar later besloten de kinderen haar grafsteen te verhuizen naar het graf van haar vader op het katholieke kerkhof in de Overweerse Polder. “Die gedenksteen hebben we schoongemaakt en met een kleine ceremonie naast het graf van mijn vader geplaatst.”…“Ja, het is natuurlijk onzin,” voegt Jo er nuchter aan toe, “maar vader en moeder zijn zo weer bij elkaar.”
Van het in dit artikel besproken boekje zijn nog enkele exemplaren via deze link te bestellen.
Auteur: Arnoud van Soest
Publicatiedatum: 10/08/2026
Vul deze informatie aan of geef een reactie.