Oorlogskind in Alkmaar

Vandaag hoorde ze de stem van de koningin op de radio. Ze heeft de koningin nog nooit gezien. Dat kan ook niet, omdat zij in Engeland woont. De kleine prinsesjes wonen al bijna vijf jaar met hun moeder in Canada. Zo lang duurt de oorlog nu al. “Landgenoten,” zei de koningin. Het klonk raar en ze heeft haar verder niet meer zo goed gehoord. Papa wel. Die is altijd heel blij als Radio Oranje er is. De Duitsers mogen er niets van merken. Die willen niet dat ernaar geluisterd wordt. Ze zeggen op de radio vreemde dingen. Vandaag zeiden ze: "De duif kan nog niet landen. De duif kan nog niet landen." Dat zijn geheime boodschappen voor de Ondergrondse.

Vredesteken.

Vredesteken.Vredesteken.

Wachthokje

Waarom is de koningin niet gewoon in Nederland gebleven? Ze vindt het daar in Engeland zeker leuker. Papa zegt dat het vanwege de oorlog is, maar dat kan ze toch niet geloven. De oorlog is niet zo heel erg hier. Hier, is Alkmaar. Eigenlijk zie je er niks van. Nou ja, op het Heiligland is een wachthokje. Daar staat altijd een soldaat in met een geweer, maar hij schiet nooit. Ze lacht wel eens een beetje naar hem, vooral als het koud is. Ze weet best dat ze hem niet lief mag vinden, maar hij staat er zo alleen.

Wachthuisje.

Wachthuisje.Wachthuisje.

Even ‘warm’ koken

Het vervelende van oorlog is wel, dat ze ’s avonds geen licht hebben. Eerst hadden ze nog een carbidlamp. Die rook vies en veel licht gaf hij niet. Nu staat er een fiets in de kamer. Om beurten moeten ze de trappers ronddraaien. Ze heeft liever de carbidlamp terug. Dat ronddraaien is vervelend en je mag niet even stoppen. Het is ook vaak koud in de kamer. Er zijn geen kolen meer en het hout moet bewaard worden voor het koken op de kachel. Dan is het even lekker warm. Ze is altijd blij als papa de aardappels gaat schillen. Hij snijdt ze in heel kleine stukjes en doet ze dan in de zakketel. Dat doet hij om ze sneller gaar te laten worden. Van haar mag het eigenlijk wel lang duren, dat koken, dan heeft ze het tenminste niet koud. Maar nu zijn ook de aardappels op.

Pot.

Pot.Pot.

Honger

Vanmiddag is haar zusje naar de Gaarkeuken gegaan. Die is helemaal op het Verdronkenoord. Je moet een pan meenemen en dan krijg je soep. Lekkere soep zeg! Er dreven vissenkoppen in. Je zag gewoon de oogjes zwemmen. Niemand wilde dat eten. Ze hebben nu wel honger. “We gaan allemaal vroeg naar bed,” zei mama, “dan voel je er niets van.” Ze weet niet  hoe mama dat doet, maar de honger zit overal en dat voel je best. Als ze ’s morgens wakker worden, krijgen ze een boterham met suikerbietenstroop en hete surrogaatthee met een sacharinetabletje. Ze drinkt het met heel kleine slokjes. Oei, dat is echt lekker. Ze hoopt dat er vanavond wel aardappels zijn. De honger is nog niet weg. ’s Avonds zijn er geen aardappels en de volgende dag ook niet.

Tante Trien

Er wordt een koffertje ingepakt en haar kleren gaan erin. Het koffertje is bruin en op de hoeken doorgesleten. Met oude kranten worden de gaten dichtgemaakt. Haar plooirokje en haar roze truitje verdwijnen ook in de koffer. De plooirok zit aan een soort hemdje vastgenaaid. Het hemdje is wit en het rokje is blauw, donkerblauw. Waarom zeggen ze nou niks? Er zit iets raars in haar keel. Ze slikt en slikt, maar het wil niet naar beneden. “Je gaat bij tante Trien logeren,” zegt haar moeder opeens. “Papa brengt je vandaag weg en je gaat daar naar school.” De brokken in haar keel worden groter. Die tante kent ze niet goed en ze woont helemaal in Sint Pancras. Ze hebben een heleboel grote kinderen. Waarom moet dat nou?

Liever haar eigen klompen

Voor ze het weet staat ze buiten met papa. Hij draagt het koffertje. Ze lopen de straat uit. Een klein stukje verder komen ze op een weg met grote keien. De weg ziet er héél lang uit en dat is hij ook. Er lijkt geen eind aan te komen. Nog nooit is ze zo lang samen met papa weggeweest. Toch lijkt het ook of ze een beetje alleen loopt. Af en toe gluurt ze voorzichtig opzij. Papa ziet er niet boos uit, maar ook niet blij. Hij heeft rimpeltjes bij zijn ogen. Net als het water in de sloot waar ze langs lopen. De zon schijnt erop en die laat ze mooi glimmen. In het gras groeien nog geen bloemen. Ze had ze anders best willen plukken. Voor die tante waar ze naar toe gaat of voor haar moeder. Dompie, denkt ze dan, eer jij je moeder weer ziet, zouden ze allang dood zijn geweest, die bloemen. Ze moet er van zuchten. Ze zou zo graag met papa willen praten. Vragen hoe het er uitziet waar ze naar toe gaat en wie er precies wonen. Ze hoeft niet meer te vragen of het ver is. Dat weet ze nu wel. Haar hielen schuren in haar klompen. Die zijn eigenlijk van haar zusje. Vanmorgen was ze nog blij dat ze die zomaar aan mocht, maar nu zou ze liever haar eigen klompen hebben. Die zijn wel niet zo mooi, maar die doen tenminste niet zeer.

Is er wel een bed?

Er komt iemand voorbij op een fiets, die veel lawaai maakt. Dat komt door de antiplof banden. De trappers piepen en kraken als ze naar beneden worden gedrukt. Misschien hebben ze wel pijn, net als zij met haar hielen. Zou papa ook moe worden? Hij moet straks de hele weg weer terug. Dat vindt ze wel zielig. O jé, als hij teruggaat, moet zij daar blijven. Ze weet niet eens of ze wel een bed hebben. Dat zal toch wel? Je gaat niet iemand bij je laten wonen als je geen bed hebt. Hadden ze maar zo’n antiploffiets. Dan kon ze lekker zitten en een beetje rondkijken en dan kreeg ze ook geen zere hiel. Waarom zouden papa’s eigenlijk alleen iets zeggen als ze boos zijn? Hij zou nu best wat met haar kunnen praten. Zouden ze nou echt blij zijn, als ze haar een poosje kwijt zijn? “Eén mond minder,” zeiden ze vanmorgen. Het klonk alsof dat heel fijn voor hen is.

Een nieuwe school

Ze gaan van de keienweg af. Oudorp, staat er op een bordje. Ze komen langs een kerk. Aan de overkant staat een school. De ramen zijn hoog. Er zit glas in waar je niet doorheen kan kijken. “Dat wordt je school,” zegt papa. Ze zou wel willen kijken hoe het er binnen uitziet. Morgen moet ze er misschien wel heen, naar die gekke school, als ze in dat vreemde bed heeft geslapen, bij die vreemde mensen.

Controle

Dichtbij de school staat een wachthuisje. Het huisje ziet er net zo uit als thuis, maar de soldaat is groot en dik en hij kijkt boos. “Ausweis”, zegt hij. Het lijkt wel een blafhond. Papa laat zijn papieren zien. Ze moeten ook het koffertje openmaken. De soldaat gooit alles overhoop. “Zumachen”, blaft hij. Papa doet snel het koffertje dicht. Wanneer ze weglopen, lijkt het net of de soldaat met zijn geweer in haar rug port. Ze is blij als er een bocht in de weg komt. Na een verschrikkelijk lange tijd zegt papa: “We zijn er zo.” Is dat nou fijn of juist niet? Ze denkt van niet.

Aan tafel

Als ze eindelijk bij de tante zijn, lijkt het wel of ze niet echt wakker meer is. Ze heeft niet eens gemerkt dat papa wegging. Wat moet die nog ver lopen. Ze is blij dat zij dat niet hoeft, maar hier zijn is ook niet fijn. Ze zit aan een lange tafel. Haar tante schept het eten op. Ze geeft iedereen een heleboel en het ziet er lekker uit. Naast haar zit een jongen met rood haar. Ze is vergeten hoe hij heet. Hij praat heel hard tegen zijn broer die aan de overkant van de tafel zit. Dat mogen ze thuis niet. Kinderen moeten hun mond houden aan tafel. Hier praat iedereen, behalve zij natuurlijk. Ze zou het niet eens durven. Jeempie, wat een boel monden, die kauwen en praten, kauwen en praten.

Een eigen bed

Er ligt teveel eten op haar bord. Hoe moet dat nou? Ze willen vast dat je je bord netjes leeg eet. “Laat maar staan,” zegt haar tante, “je bent te moe om te eten. Ik denk dat ik je maar naar bed breng.” Ze gaan langs een lange trap naar boven. Er ligt een loper op, met mooie glimmende buisjes. Ze krijgt een groot bed. Daar kan je bijna met z’n tweeën in. Eng is dat. Alleen in zo’n groot bed in een vreemd huis. Ze pakt haar kussen. Dat voelt zacht en warm. Het lijkt nu net of ze een beetje minder alleen is. Een beetje maar.

De crisistijd

Ze moet daarna een heleboel keer bij haar tante slapen. De school valt wel mee. Ze wordt een beetje gepest. Dat komt omdat ze niet goed praat. Zij klinkt net als de juf en dat vinden de kinderen stom. Haar oom heeft een café. Ze wonen vlak bij de spoorlijn. Daarom heet zijn café ‘Spoorzicht’. Daar komen niet zoveel mensen. “De oorlog legt de boel plat,” zegt haar oom. Er staat een groot biljart. Daar wordt soms op gespeeld. De ballen klikken dan zo gezellig tegen elkaar. Vroeger heeft haar papa dit café gepacht, maar dat ging niet zo goed. Dat komt omdat de mensen toen heel arm waren door de crisistijd. Wat dat nou weer is, weet ze niet precies. Wel dat de mensen toen bijna geen geld hadden en dan ga je niet zomaar maar naar een café. Sommigen deden dat evengoed, maar dan zei haar moeder: “Maak dat je wegkomt, je vrouw zit op je te wachten.”  Tja, dan kan je natuurlijk niet veel geld verdienen. Ze denkt dat haar oom en tante het beter doen.

Razzia

Gisteren kwam er een meneer. Die bleef een nachtje logeren op een gastenkamer. Hij had voor iedereen een cadeautje mee. Voor haar niet. Niemand zei daar iets van. Snappen ze niet dat dat verdrietig is? Haar nichtje kreeg een boek. Ze is er niet eens blij mee. Ze houdt niet van lezen. De meneer is nu naar huis. Er lopen Duitse soldaten op de weg. Ze moeten allemaal binnenblijven. De jongens ook. Alle gordijnen gaan potdicht en het is nog helemaal niet donker. Haar oom loopt steeds heen en weer. Hij praat af en toe zacht met haar tante. Zo praat haar papa ook als ze iets niet mogen horen. Ze moeten vroeg naar bed, maar ze kan niet slapen. Misschien omdat het nog zo licht is. Hoe zou het met haar broertjes en zusjes zijn? Ze wou dat ze weer thuis was. Er is iets raars aan de hand. Dat voelt ze in haar keel. Ineens komt haar tante boven. Ze moeten allemaal hun bed weer uit. Ze denkt dat er razzia is. Ze zitten stilletjes in de kamer. Net als thuis als het onweert, maar hier hoef je niet te bidden.

“Ze zijn dood”

Het boek van haar nichtje ligt op het dressoir. Voorzichtig pakt ze het op. Niemand zegt wat. Ze leest en leest en vergeet alles. Er staan veel moeilijke woorden in het boek, maar toch begrijpt ze alles. Het gaat over een wolf die verdwaald is. Hij huilt om zijn moeder. Wolven huilen net als mensen. De wolf lijkt een beetje op haar. Haar oom heeft de gordijnen een klein stukje opengedaan. “Er stopt een grote vrachtauto,” zegt hij, “er stappen een heleboel soldaten uit.” Ze luistert en hoort hun hakken klikklakken op de straatstenen. Daarna stopt er weer een auto. Haar wolvenboek ligt vergeten op de tafel. Er komt een soldaat naar het raam. Hij wijst met zijn geweer. Hij wil niet dat ze kijken. “Doe de gordijnen dicht,” roept haar tante. Ze klinkt bang. Na een tijdje horen ze schieten. Haar oom springt op en loopt naar het café. Daar kijkt hij heel voorzichtig naar buiten. Als hij terugkomt ziet hij er raar anders uit. “Er zijn een heleboel mensen neergeschoten,” zegt hij. “Zomaar neergeschoten. Ze zijn verdomme dood.”

Een gebed

Wat een nare Duitsers hebben ze hier. Thuis staan ze gewoon in een wachthuisje en zeggen “pasz auf” als je valt. Hier schieten ze mensen dood. Ze is bang, iedereen is bang. Ze wil naar huis. Hier wil ze niet blijven. Haar tante zegt dat dat niet kan. Je mag ’s avonds de straat niet op. Als ze weer naar bed gaan, verstopt ze zich onder de dekens. “Lieve Heer, laat ze mij niet dood schieten”, bidt ze, maar ze denkt niet dat Hij haar hoort. Iedereen zal dat nu wel vragen. Ze hoort haar oom en tante bovenkomen. Er is niet meer geschoten. De soldaten zijn zeker ook naar bed gegaan. Waar zullen die dode mensen nu zijn? Ze durft niet te slapen, maar het gebeurt toch.

Nu begrijpt ze het

’s Morgens voelt alles nog raar. De overbuurman komt binnen. Hij heeft gisteravond uit zijn slaapkamerraam alles gezien. “Twintig mensen dood”, zegt hij. “Ze hebben er gewoon tien op een rij gezet. Een soldaat las iets voor en daarna werden ze omver geknald. De andere tien moesten toekijken. Daarna was het hun beurt. Eén soldaat liep weg. Die kon er denk ik niet meer tegen.” De buurman moet slikken. Dat doet zij ook als ze bang of verdrietig is. Bij hem gaat er steeds een knobbeltje op en neer in zijn keel. Op en neer, op en neer. Zelf is ze een beetje blij dat er tenminste één soldaat was, die niet meer meedeed. Maar ze is ook bang, doodsbang, omdat er zoveel slechte Duitsers zijn, die mensen doodschieten. Daarom is de koningin natuurlijk naar Engeland gegaan. Ze kan het nu wel begrijpen. “Dat dat nu nog moest gebeuren”, zegt haar oom, “zo aan het eind. Vuile verraders.”

Auteur: Nina Barhorst

Publicatiedatum: 05/04/2011