De Lutherse Kerk in Haarlem

In een stille, tamelijk smalle straat, de Witte Herenstraat, ligt achter een gietijzeren hek een pleintje. De westelijke grens van dit pleintje wordt gevormd door de voorgevel van de Evangelisch-Lutherse kerk. De Haarlemse predikant, ds. D. Drijver, beschreef in 1925 de ontstaansgeschiedenis van zijn Lutherse gemeente. De eerste zin van zijn artikel zette de toon: "Evenals, op eene enkele uitzondering na in alle plaatsen van de Noordelijke Nederlanden, zijn ook te Haarlem de Lutherschen oorspronkelijk vreemdelingen geweest." En zo was het. De ontstaanskern van de latere lutherse gemeenschap bestond uit een kleine groep Vlaamse vluchtelingen die zich na 1590 in Haarlem vestigden. De verdere groei ervan in de eerste tientallen jaren van de zeventiende eeuw kwam bijna geheel voor rekening van Duitse immigranten. Velen van hen waren uit Duitsland gevlucht voor het geweld van de Dertigjarige Oorlog, een uiterst bloedige godsdienstoorlog die pas in 1648 ten einde kwam. Anderen werden aangetrokken door de veel grotere welvaart in Nederland. De lutherse kerk werd een Duitse migrantengemeenschap die langzaam vernederlandste.

Lutherse Kerk (Witte Herenstraat) Voorgevel, 20e eeuw

Lutherse Kerk (Witte Herenstraat) Voorgevel, 20e eeuwLutherse Kerk (Witte Herenstraat) Voorgevel, 20e eeuw

Van premonstratenzer tot lutherse kerkdiensten

In het gebouw was sinds 1485 een klooster van Premonstratenzer monniken gehuisvest. Omdat zij gekleed gingen in witte pijen, noemde men ze ‘witte heeren’. Vandaar de naam van de straat. Het klooster behoorde tot de katholieke bezittingen die na het verdrijven van de Spanjaarden door de Staten van Holland werden geconfisqueerd en aan Haarlem geschonken als compensatie voor de schade van het beleg. De stad verkocht het klooster in 1581. Een vermogende lutheraan, Jan Pompen, verwierf het in 1613 waarna het voor een milde prijs werd doorverkocht aan de Lutherse kerk. Een verbouwing maakte het in 1615 geschikt voor de aanvang van de kerkdiensten.

Veel wantrouwen naar lutheranen in Nederland

De lutherse kerk dankt zijn naam natuurlijk aan de befaamde Duitse kerkhervormer Maarten Luther (1483-1546). Zijn leer verspreidde zich snel over grote delen van het Duitse Rijk en Scandinavië. Ook daarbuiten doken kleine concentraties lutheranen op, onder meer in Amsterdam en Antwerpen, die aanvankelijk uit Duitse en Scandinavische koop- en zeelieden bestonden. Door de vlucht van de Vlaamse lutheranen voor de katholieke contrareformatie ontstonden niet alleen in Haarlem, maar ook in veel andere Hollandse steden, lutherse gemeenten. Deze gemeenten groeiden snel door de komst van duizenden Duitse migranten in de zeventiende eeuw.

De lutherse kerk behoorde en behoort tot de protestantse kerken, maar dat nam niet weg dat ze aanvankelijk veel wantrouwen ontmoette. Evenals bijvoorbeeld de katholieken en de doopsgezinden mochten ook de lutheranen, na 1618, geen zitting meer nemen in staats- en stadsfuncties. Alleen leden van de enige erkende officiële kerk in de Republiek der Nederlanden, de hervormde of gereformeerde kerk, mochten de stad, het gewest en de staat dienen in hoge functies. In sommige Nederlandse steden, bijvoorbeeld Amsterdam en Zaandam, maakten de autoriteiten het leven van de lutheranen soms behoorlijk onaangenaam. In Haarlem viel dat wel mee.

Een gemeenschap van Duitsers

In de ledenregisters van de Haarlemse lutherse kerk treffen we in de periode tussen 1645 en 1850 de namen aan van bijna vijfduizend buitenlandse nieuwe lidmaten. Ruim 4500 kwamen uit het Duitse Rijk, de overigen bijna alle uit Denemarken en het Koninkrijk Zweden (waar Noorwegen toen nog bij hoorde). Dit is een vrij groot aantal, als we er rekening mee houden dat de bevolking van Haarlem in die periode halveerde tot krap twintigduizend en dat de lutherse kerk nooit meer dan vijf procent van de stadsbevolking onder haar leden telde. Daarbij moeten we wel aantekenen dat een onbekend aantal leden van de Haarlemse lutherse kerk buiten de stad woonde, of daar tijdelijk werkte als seizoenarbeider.

Tot ongeveer het midden van de zeventiende eeuw was de lutherse kerk een vrijwel exclusief Duitse migrantengemeenschap. De eerste drie vaste predikanten in Haarlem waren alle Duitser. Na 1650 had deze kerk meestal twee predikanten waarvan er een Duitser en de ander Nederlander van geboorte was. Ook die Nederlander had dan een Duitse lutherse universitaire opleiding gevolgd om tot het ambt toegelaten te kunnen worden. De Duitse invloed was dus aanzienlijk, maar daarin kwam stilaan verandering toen kinderen en kindskinderen van de eerste generaties Duitse immigranten vernederlandsten en meestal ook geen Duits meer spraken.Dit item maakt onderdeel uit van de route ‘Migranten in Haarlem en Kennemerland’

Bronnen

D. Drijver, ‘Het ontstaan van de Luthersche gemeente te Haarlem’, Jaarboek Evangelisch-Luthersche Gemeente (1925) 7-15.

Th.A. Fafié & Helen van der Eem, Lutheranen in Haarlem, hun geschiedenis en hun archief (Woerden 1998).

Jaap Vogel, ‘Duitse predikant in opspraak. Hieronymus Durer: zijn geloof, zijn kerkenraad en zijn “dienstmaagd””, Haerlem Jaarboek 1999 (Haarlem 2000) 21-50.

Jaap Vogel, ‘Osnabrückers in Haarlem en omgeving. Een groepsportret met uitvergrotingen. – Osnabücker in Haarlem und Umgebung. Ein Gruppenporträt met Nahaufnahmen’™ in: Birgit Nolte-Schuster, Jaap Vogel en Winfried Woesler, Zur Arbeit nach Holland – Naar de Nederlanden om te werken (Osnabrück 2001).

Alle bronnen zijn ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.