De Gouden Koets: Amsterdams geld en Surinaams goud

De Gouden Koets, die onlangs weer even in het nieuws was, mag nog niet met pensioen. Eerst moet de vraag beantwoord worden of een koets met een afbeelding uit de koloniale tijd nog wel kan. Oneindig Noord-Holland dook in de geschiedenis van het koninklijke voertuig, dat door het Amsterdamse volk bekostigd is en gemaakt van materialen afkomstig uit alle delen van het rijk.

Book 12 min

De koets is gemaakt van Javaans teakhout, dat deels is beschilderd en deels is verguld met bladgoud, waar de Gouden Koets zijn naam aan dankt. De karos was een geschenk van de Amsterdamse burgerij aan Wilhelmina, toen ze op 6 september 1898 de troon besteeg. De materialen die in de koets zijn verwerkt, komen uit het toenmalige koninkrijk, dus er zit vlas uit Zeeland in, leer uit Brabant, hout uit Java en ivoor uit Sumatra. Suriname leek niet vertegenwoordigd, maar dat is nu rechtgezet.

Maar daar bleef het niet bij. Het museum liet ook onderzoeken wat Nederlanders voor gevoel bij de koets hebben. Uit die onderzoeken blijkt dat de meeste Nederlanders willen dat het staatsierijtuig bewaard blijft en te zien zal zijn. Maar het is nog niet duidelijk of de koets straks weer ratelend over de keien gaat of van een welverdiend pensioen in een museum mag genieten, want de koets is omstreden.

Op het zijpaneel getiteld ‘Hulde der Koloniën’ staan namelijk ‘halfnaakte zwarte mannen en vrouwen afgebeeld, die hun rijkdommen aanbieden aan het koningshuis’, zoals Tweede Kamerleden Harry van Bommel (SP) en Mariko Peters (GroenLinks) het destijds omschreven. Dat kon niet meer in deze tijd, vonden ze, en wat hen betreft diende het aanstootgevende paneel verwijderd te worden. Maar daarover later meer.

De Gouden Koets in volle glorie, met onderop het paneel ‘Hulde der koloniën’. Foto via social designbureau Afdeling Buitengewone Zaken.

Jordanezen

De gouden of vergulde staatsiekoets was dus een geschenk van de Amsterdamse burgerij, waarvoor oranjegezinde Jordanezen het initiatief namen. De ‘Oranje Vriendenkring’, dat bij Koninklijke verjaardagen en inhuldigingen de straten versierde en volksfeesten organiseerde, zocht naar een blijvend aandenken aan de troonsbestijging van de toen net 18 jaar geworden Wilhelmina.

De rijtuigfabriek van de gebroeders Spijker aan de Stadhouderskade, dezelfde firma die later de eerste Nederlandse automobiel op de markt zou brengen, had al eens een galakoets gebouwd voor een Indische vorst, dus zo ontstond het idee om de jonge vorstin met een gouden koets te verblijden. De andere Oranjeverenigingen in Amsterdam vonden dat ook wel een goed idee en dat leidde tot de oprichting van een comité, dat luisterde naar de fraaie naam ‘Vereeniging van het Amsterdamsche volk tot het aanbieden van een huldeblijk aan Hare Majesteit koningin Wilhelmina.’

Foto van de bouw van de Gouden Koets in de fabriek van de Gebroeders Spijker aan de Stadhouderskade 114. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Aandelen van 25 cent

Er werden aandelen van 25 cent uitgegeven, die je in de sigarenwinkel kon kopen, en wie er helemaal voor wilde gaan, kon bij penningmeester Kist in de Willemsstraat boekjes met 100 betalingsbewijzen à 25 cent aanschaffen. Als we het socialistische Volksdagblad mogen geloven, leverde die inzameling onder Amsterdamse werklieden niet genoeg geld op, zodat ook bij vermogende stadgenoten moest worden aangeklopt.

Een banketbakker in de Huidenstraat maakte van suiker en een suikerdeeg een model van de Gouden Koets. Het model was 57 cm lang en 52 cm hoog en werd uiteindelijk onder de klanten verloot. Maar de échte koets, waar twee jaar aan is gebouwd is, werd vanaf 15 augustus 1898 tentoongesteld in het Paleis voor Volksvlijt.

Lantaarnplaatje van de beschildering van de linkerkant van de Gouden Koets en de ontwerpen van Nicolaas van der Waay in de fabriek van de Gebroeders Spijker, 1898. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Marokijn leder

Aan de koets, en vooral aan het versieren ervan, werkten maar liefst 1.200 mensen mee. De één leverde de beelden, de ander zorgde voor marokijn leder of voor goudstiksels. Amsterdamse meisjes en vrouwen voerden ‘de fijnste kunstnaald- en borduurwerken’ uit. Bovenop de weldadig versierde koets bevonden zich vier vrouwenfiguren, die Handel, Arbeid, Scheepvaart en Landbouw voorstelden. Samen droegen ze een kussen, waarop de kroon, de scepter en het rijkszwaard lagen.
Uiteraard waren in de koets ook de wapens van de elf provinciën afgebeeld, waarbij de wapens van Noord-Holland en die van de stad Amsterdam natuurlijk het grootst waren, omdat de hoofdstad nu eenmaal de koets had geschonken.

Lantaarnplaatje van de beeldengroep voor het dak van de Gouden Koets met personificaties van Nijverheid. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Een hoge koets

De firma Spijker had – op verzoek van Hare Majesteit – een hoge koets gebouwd, zodat de koningin haar volk niet alleen goed zou kunnen zien, maar zodat ze ook rechtop kon staan ‘zonder haar hoofdtooisel te schaden.’ De hoogte moest echter ook weer niet overdreven worden, want de koets moest wél onder de poortjes van het Binnenhof door kunnen. Een vorstin die vast komt te zitten, zou immers een blamage zijn.

De koets moest overigens niet alleen onder Haagse poortjes door kunnen, maar ook veilig de Amsterdamse bruggen op en af kunnen. De acht paarden, die de Koninklijke koets trokken, konden het drie ton wegende gevaarte niet tegenhouden als ze de helling van de vaak hoge Amsterdamse bruggen afreden, en daarom werden er op de achterwielen hydraulische schijfremmen gemonteerd. Die remmen werden door de achter de koets aanlopende palfreniers bediend en konden ook dienst doen als één van de paarden onverhoopt op hol zou slaan. Al was die kans daarop gering, omdat de paarden gewend waren aan muziek en veel lawaai, zoals het knallen van geweerschoten.

Lantaarnplaatje van de aanbieding van de Gouden Koets aan Koningin Wilhelmina in het Paleis voor Volksvlijt, op 7 september 1898. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Paleis voor Volksvlijt

De belangstelling voor de Gouden Koets, die tussen  15 augustus en 18 december 1898 in het Paleis voor Volksvlijt werd tentoongesteld, was groot. In de eerste vier dagen kwamen er al 7.000 mensen kijken. Maar er was ook kritiek. Het Volksdagblad drukte een brief af van een Amsterdammer die zo’n Gouden Koets niet vond passen in een stad die nog zoveel krotten telde. Van het geld dat voor de koets was opgehaald, had je ook een hoop ‘hongerige magen van misdeelde proletariërs’ kunnen voeden.

Op 7 september 1898 bracht Wilhelmina om één uur ’s middags zelf een bezoek aan het Paleis voor Volksvlijt om de koets te kunnen bekijken. Bij het betreden van het gebouw boden drie ‘aardige jonge meisjes’ de koningin en haar moeder boeketten met witte, roze en rode rozen aan, waarna de koningin-moeder het handje van één van de jonge juffrouwen kuste. Grote kans dat het meiske haar handje een paar dagen niet gewassen zal hebben.

Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik rijden ter gelegenheid van hun huwelijk met de Gouden Koets op de Dam, 1901. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

67 Oranjeverenigingen

In de zaal waar de gouden karos op een verhoging stond opgesteld, hadden zich de besturen van maar liefst 67 Oranjeverenigingen met hun banieren verzameld. De koningin werd toegejuicht en toen het koninklijk gezelschap de zaal verliet, hief het kinderkoor het lied ‘Nu riddertrouw gezworen dezer jonge koningin’ aan. De koningin werd, zo lezen we in een krantenverslag, zeer getroffen door de jongenswacht van ‘Klein maar Dapper’, die zich aan weerskanten had opgesteld. Minzaam buigend liet ze zich ontvallen: ‘Dat zijn aardige jongens, die er kranig uitzien.’

De koets was aanvankelijk bedoeld als geschenk van de Amsterdamse burgerij bij de inhuldiging van Wilhelmina als koningin, die 6 september 1898 plaatsvond, maar omdat Wilhelmina bij die gelegenheid geen geschenken wilde aannemen, nam ze de koets een dag later in het Paleis voor Volksvlijt in ontvangst, te meer daar haar was verzekerd dat het geld voor het rijtuig bijeengebracht was door alle rangen en standen van de Amsterdamse samenleving.

Tijdens de intocht van Koningin Wilhelmina in Amsterdam reed ze in een andere koets. Schilderij van Hobbe Smith uit 1898. Collectie Amsterdam Museum.

Op tournee

De koets ging overigens pas voor het eerst rijden, toen koningin Wilhelmina met Prins Hendrik in het huwelijk trad, op 7 februari 1901. Na de inhuldiging van haar dochter Juliana, op 6 september 1948, ging de Gouden Koets ook nog even op tournee, waartoe het rijtuig een schip werd opgereden, dat tussen mei en augustus 1949 een aantal Nederlandse havens aandeed. In elke stad kreeg de bevolking een paar dagen de gelegenheid om de koets te bewonderen.

Maar sinds 1903 wordt de Gouden koets toch vooral gebruikt om er op de derde dinsdag van september (Prinsjesdag) mee naar de Ridderzaal op het Haagse Binnenhof te rijden, alwaar het staatshoofd vervolgens het parlement toespreekt. Daarnaast werd de koets gebruikt bij de doop van Juliana (1909) en Beatrix (1938) en bij diverse Koninklijke huwelijken, het laatste nog bij het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta in 2002.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de Gouden Koets natuurlijk in de Koninklijke stallen in Den Haag staan. Er deden allerlei wilde geruchten de ronde dat topnazi Hermann Göring zelf de koets had ingepikt en er lustig in had rondgetoerd. Dat had nog bijna gekund, want de Duitsers hebben nog even geprobeerd de koets naar ‘die Heimat’ te ontvoeren, maar de bezetter slaagde er niet in het gevaarte op een trein te zetten. De eerste jaren na de bevrijding deed de koets overigens geen dienst, ‘in verband met de soberheid die de Koninklijke familie wilde betrachten,’ zoals een krant meldde.

De Gouden Koets met Koningin Juliana, tijdens een rijtoer ter gelegenheid van haar inhuldiging in 1948. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

De rookbommen

Op 10 maart 1966 trad Beatrix in het huwelijk met Claus von Amsberg. Toen het kersverse echtpaar in de Gouden Koets terugreed naar het Paleis op de Dam, werd er een rookbom gegooid, die tussen de ruiters terecht kwam en de koets in een zwaar rookgordijn zette. Naar verluid zouden er die dag meer rookbommen zijn gegooid, maar slechts één gooier, een 24-jarige student, werd daarvoor veroordeeld tot een voorwaardelijke straf van drie weken.

Twintig jaar later zou ene Jan Rutgers zijn excuses voor het rookbomincident aanbieden aan koningin Beatrix, die toen in de Westerkerk aanwezig was. Volgens provoleider Rob Stolk was Rutgers echter nooit een échte provo geweest; hij liep alleen maar in de weg. In het dagblad Trouw luchtte hij daarover zijn hart. ‘Ik word er doodziek van: elke vijf jaar betuigt wel weer iemand spijt van die rookbom.’

Hoe het ook zei, de verhouding tussen de Amsterdamse politie en de rebelse provo’s was in de jaren zestig behoorlijk gespannen. Provo’s mochten maar wat graag ‘Leve Oranje, leve de republiek’ roepen, zodat ook nietsvermoedende orangisten die alleen maar ‘Leve Oranje’ riepen de nodige klappen opliepen.

Provo-rellen op Koninginnedag, 1970. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Het waxinelichtje

Uiteraard moet ook de 31-jarige Erwin L. uit Lichtenvoorde even genoemd worden, die op Prinsjesdag 2010 een waxinelichtjehouder naar de Gouden Koets gooide, omdat Beatrix naar zijn mening niet rechtmatig op de troon zat. Een psychiater van het Pieter Baancentrum vond dat de man in een psychiatrische instelling thuishoorde, maar het Gerechtshof oordeelde uiteindelijk dat hij  niet volledig ontoerekeningsvatbaar was, en veroordeelde hem tot vijf maanden cel. Aangezien hij daar al twee jaar in had gezeten had, werd hij meteen in vrijheid gesteld.

De Gouden Koets met het prinselijk paar op het Rokin tijdens het huwelijk van Prins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta, 2002. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Een zakje verf

En dan was er nog dat zakje verf, dat actievoerder Sjaak Vrugt in februari 2002 naar de Gouden Koets wierp. Niet omdat hij een republikein was, want hij was ‘gewoon een anarchist’, maar omdat hij wilde protesteren tegen het juntaverleden van Máxima’s vader, die hij ‘een fascist’ noemde. Die verf, die een ijverige lakei meteen van de ruit wist te vegen, was dus bedoeld als ‘smetje op de koets.’

Vrugt belandde drie dagen in de cel en kreeg uiteindelijk een taakstraf. Hij heeft nooit de publiciteit gezocht, omdat hij niet als ‘idioot’ de geschiedenis in wilde gaan, maar een ideologisch gemotiveerde daad wilde stellen. In de audiotour bij de tentoonstelling in het Amsterdam Museum doet hij alsnog zijn verhaal.

Meer dan een half jaar was de gerestaureerde Gouden Koets (kosten: 1,2 miljoen) in een glazen huis op de binnenplaats van het Amsterdam Museum te zien. Foto via Amsterdam Museum.

Twintig experts

In 2015 kwam er echter een – voorlopig – einde aan de traditie van de jaarlijkse Prinsjesdagrit met de Gouden Koets. De koets werd opgeknapt en was daarna nog een tijd lang te zien in een glazen huis op de binnenplaats van het Amsterdam Museum. Het museum dook diep in de geschiedenis en maakte een tentoonstelling, waarvoor maar liefst twintig experts waren geraadpleegd. Er was zowel ruimte voor bewondering als voor protest.

In het kader van de expositie werd er ook een publieksonderzoek uitgevoerd, omdat het museum graag de dialoog op gang wil brengen tussen voor- en tegenstanders van de Gouden Koets, die van 1903 tot 2015 voor ceremoniële gelegenheden werd gebruikt. Twee reacties uit die meningspeiling vatten de tegenstellingen aardig samen: ‘Ik hou van de Gouden Koets! Dat hoort bij Nederland, zoiets doe je niet weg’ en ‘Zet hem lekker in het museum, die hoef ik nooit meer te zien.’

Het Amsterdam Museum liet bureau Afdeling/Buitengewone Zaken onderzoeken hoe het Nederlandse volk over de Gouden Koets denkt. Foto via social designbureau Afdeling Buitengewone Zaken.

De bril van onze tijd

Hoe het debat gaat aflopen, is nog niet duidelijk, maar intussen heeft koning Willem-Alexander maar besloten voorlopig geen gebruik meer van de Gouden Koets te maken. In een  videoboodschap zegt hij weliswaar dat we het verleden niet kunnen herschrijven en dat het geen zin heeft om het koloniale verleden ‘door de bril van onze tijd te veroordelen en te diskwalificeren’, maar hij vindt ook dat we rekening  moeten houden met de gevoelens van Nederlanders ‘die in de Oost en de West onvrij waren’.

Kortom, hij wil pas weer met de koets uit rijden gaan als ‘Nederland daar klaar voor is’. En dat is Nederland nu nog niet, zo heeft de koning geoordeeld. Voorlopig maken hij en zijn eega dus op Prinsjesdag gebruik van de Glazen Koets, die in 1826 in Brussel is gebouwd. Kan er toch nog een traditie worden voortgezet, al is het er dan geen waarvoor het Amsterdamse volk met kwartjes, rijksdaalders en tientjes de basis legde.

Koning Willem-Alexander bezoekt de tentoonstelling die het Amsterdam Museum aan de Gouden Koets wijdde. Foto via sociale designbureau Afdeling Buitengewone Zaken.

Tekst: Arnoud van Soest

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek, www.Delpher.nl, van informatie van het Amsterdam Museum en van Wikipedia. De in het artikel genoemde audiotour, die een aardig beeld geeft van de expositie in het Amsterdam Museum, is hier te beluisteren.

Publicatiedatum: 22/09/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN