Oneindig Noord-HollandBeleef de geschiedenis van jouw provincie

De blekerijen van Bloemendaal

In het Mauritshuis in Den Haag hangt het schilderij ‘Gezicht op Haarlem met bleekvelden op de voorgrond’ van de beroemde landschapschilder Jacob van Ruisdael (1628-1682). Het beeld dat wordt getoond is gemaakt vanuit het perspectief van Bloemendaal. Hij schilderde wel vijftien van dergelijke taferelen, die in verschillende grote musea in de wereld hangen. Ook andere schilders begonnen hem na te doen. Er werden zoveel van dezelfde afbeeldingen gemaakt dat ze een eigen soortnaam kregen, ‘Haarlempjes’. Het schilderij van Jacob van Ruisdael is een geromantiseerde weergave van de werkelijkheid, maar hoe zag de wereld achter die gedrapeerde lijnwaden er in die tijd werkelijk uit?

De schilderachtige bleekvelden vormden een essentieel onderdeel van de linnennijverheid, die vanaf ongeveer 1580 tot aan het einde van de zeventiende eeuw in deze streek een spectaculaire opbloei beleefde. Die was vooral te danken aan de komst van tientallen kapitaalkrachtige protestantse linnenblekers uit Vlaanderen en Brabant. Om te ontkomen aan het oorlogsgeweld en de geloofsvervolging zochten zij hun toevlucht in Holland, dat zich inmiddels aan de Spaanse heerschappij had ontworsteld. In Zuid-Kennemerland vonden zij de gunstigste omstandigheden voor hun bedrijvigheid.

Het drassige en met kreupelhout begroeide gebied tussen de zandwal waar Haarlem op ligt, de aangrenzende geestgronden en de duinen bleken goed bruikbaar. De natuurlijke grasbegroeiing was gelijkmatig en stevig en de ondergrond had een toereikend drainerend vermogen. Absoluut onontbeerlijk was de voortdurende aanvoer van schoon en zacht water en daarin voorzagen de duinrellen. Uniek was de kwaliteit van het duinwater door het ontbreken van ijzer en mangaan, waardoor het linnen gevrijwaard bleef van roestvlekken.

Toen de door hen verworven terreinen eenmaal geschikt gemaakt waren voor het omslachtige bleekproces, konden de ondernemers in de heerlijkheden Tetterode (Overveen) en Aelbertsberg (Bloemendaal) een uitzonderlijk hoge kwaliteit bereiken. Veel van de hagelwitte kragen en boorden die ons op zoveel portretten van Frans Hals en tijdgenoten tegemoet stralen, vonden hier hun oorsprong. Maar daar ging heel wat aan vooraf.

De historische kaart van Pieter Bruisz uit 1599 toont de Bloemendaalse linnenblekerijen tussen Ruïne van Brederode (re) en de Zijlweg in Tetterode (li). De kaart diende om de gemaakte afspraken tussen linnenblekers en bierbrouwers uit het Consent van 1584 vast te leggen. Collectie Noord-Hollands Archief.

De lange weg van vlas naar linnen

De grondstof voor linnen is vlas. Dat gewas wordt al sinds de prehistorie overal in Europa verbouwd, maar de beste soorten kwamen indertijd uit Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Zeeland. Linnen wordt vervaardigd uit de bastvezels van de vlasplant die zich bevinden rondom de kern van de stengels. Het vlas werd met wortel en al uit de grond getrokken. Na het oogsten werd het op het land in schoven opgebonden om te drogen. Na droging werden de toppen van het vlas gerepeld, een handeling met een soort kam om zaad van de stengels te scheiden. Het gerepelde vlas werd daarop in water ‘te roten’ gelegd om de vezels los te weken van de houtige stam.

Na droging op zolders werden de vezels in het braakhok met een beuker bewerkt, waarbij houtige delen van de stengel werden verkleind en deels verwijderd. Indien nodig werd het vlas nog over de hekel, grote houten vorken, gehaald met behulp van een plank en het zwingelbord. Dit veroorzaakte stofontwikkeling, met als gevolg dat de vele vlasarbeiders, meestal seizoenwerkers, het aan hun longen kregen en vroegtijdig stierven. De geschoonde ‘lintwormen’ werden samengevoegd tot bundels, en het vlaslint kon daarop door lijnwaadspinsters gesponnen worden tot garen. Die garens werden vervolgens geweven.

Haarlem en omgeving telde vele honderden linnenwevers die in hun huiselijke omgeving op hun weefgetouw werkten. Daaruit groeiden manufacturen, werkhuizen waar een aantal arbeiders tegen dag- of stukloon het werk deed. De stukken linnen werden op de gewenste maat gesneden door de lijnwaadsnijders. Die werden opgekocht door lijnwaadkopers, meestal gevestigd in de steden. Van dat weefsel werden zeer uiteenlopende producten gemaakt: zeildoek, tafelkleden, wandtapijten, schilderdoek, gordijnen, maar vooral kleding. De kwaliteit daarvan varieerde van grof boerenlinnen tot de meest verfijnde soorten damast.

‘Gezicht op Haarlem met bleekvelden’ (1670-1675) van Jacob van Ruisdael, een zogenaamd ‘Haerlempje’. Linnenblekerijen op de voorgrond, de skyline van Haarlem en een typerende wolkenlucht. Collectie Mauritshuis.

Haarlems keurmerk

Omdat het linnen sterk in kleur verschilde en zeker niet wit was, moest het voor kostbare toepassingen nog een bleekbehandeling ondergaan. Linnenhandelaren sloten daartoe overeenkomsten met blekerijen om het daarna tegen de hoogste prijs zijn weg te laten vinden over de hele wereld. De weg naar de linnenblekerijen liep via Haarlem, waar het gemerkt, gesorteerd en gewogen werd. Nog vóór de start van het bleekproces verkreeg het zijn keur waardoor het vanaf dat moment doorging onder de naam Haarlems linnen, ook al was de herkomst van het linnen elders gelegen.

De uitzonderlijke hoogwaardige kwaliteit van het langs de duinen gebleekte linnen in Aelbertsberg en Tetterode was mede de drager voor het handelssucces van het beroemde Haarlems linnen. Een groot voordeel voor deze locatie was bovendien de nabijheid van de wereldhaven Amsterdam, waardoor de aan- en afvoer van de grondstoffen en eindproducten zeer werd vergemakkelijkt.

De hoge Bloemendaalse duinen vormden voor menig kunstenaar een uitgelezen positie om het contrast tussen linnenblekerijen en het zicht op de stad Haarlem vast te leggen. Aquarel van J. de Beijer uit 1750. Collectie , Noord-Hollands Archief.

Lijnwaadblekers

Maar het had nog veel voeten in de aarde voordat de blekerijen op volle toeren konden draaien. Er moest voldoende ruimte zijn voor de inrichting van bleekvelden om wind en zon vrij spel te geven. Ten oosten van de dorpen Aelbertsberg en Tetterode werd een systeem van gietsloten aangelegd die het duinwater in de buurt bracht van kavels van circa vijftig tot honderd meter lang en maximaal 22 meter breed. Blekersknechten konden met hun hoos, een specifieke waterschep, het water rechtstreeks uit de sloot op het linnen hozen. Het nathouden gedurende enkele dagen luisterde nauw. Te nat kon rot veroorzaken en te droog leverde brandvlekken op.

De deelbewerkingen van het bleken bestonden uit weken, wassen en spoelen om het losgeweekte vuil te verwijderen, logen in de loogketel die gevuld was met door turf verwarmd water met potas, besprenkelen met karnemelk om de stevigheid van het linnen te vergroten, wassen met blekerszeep om het nog aanwezige losse vuil te verwijderen, uitleggen, vastzetten, vochtig houden en het dag en nacht bewaken van de lijnwaden op het bleekveld, schouwen op lange tafels waarbij eventuele overgebleven vlekken werden verwijderd, appreteren of opmaken met geblauwd stijfsel en tenslotte drogen, plooien en pakken. Het bleekseizoen begon in maart en liep tot in september. Blekerijen waren economisch gezien kwetsbare bedrijven, sterk afhankelijk van het weer en de prijzen van de benodigde grondstoffen.

Detail uit het schilderij van Jacob van Ruisdael ‘Gezicht op Haarlem met bleekvelden’ waar het linnenbleken, dat in de overmacht van de wolken wat is weggedrukt, met liefde is vastgelegd. Collectie Mauritshuis.

Strijd om het schone water

Voor het bleekproces waren naast voldoende water uiteenlopende hulpstoffen nodig als potas, turf, zeep, kobalt en karnemelk. Veel van die stoffen moesten van ver weg komen. Potas kwam uit Polen en kobalt uit het Oostzeegebied. Turf kwam uit Friesland en Groningen, en werd per binnenschipper aangevoerd. Uit de directe omgeving, onder andere uit Vogelenzang, konden grote hoeveelheden karnemelk worden betrokken. In de hoogtijdagen was dat 3,5 tot 4,5 miljoen liter per seizoen. Pure winst voor de boeren, die anders met een onverkoopbaar restproduct bleven zitten.

Als nevenindustrie van het bleken ontstonden blauwselmolens die het kobalt vermaalden tot blauwsel van de gewenste fijnheid om het linnen nog witter te maken. Zo draaiden er molens in Aerdenhout (‘Duinsigt’, op de hoek Eikenlaan-Schulpweg, in 1848 afgebroken), Overveen (Blauwselmolen ‘Het Anker’, van J.M. Gogel in 1854 afgebroken) en Bloemendaal (‘Blauwvliet’, in 1854 afgebroken).

‘De Bleker’, Caspar Luyken, 1694. Collectie Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum.

De gunstige positie voor de linnenblekers werd niet zonder slag of stoot bereikt. Niet alleen de blekers hadden het gemunt op dat kraakheldere duinwater, ook de Haarlemse bierbrouwers konden er niet buiten. Na het bleekproces was het water zwaar vervuild en ongeschikt voor het maken van bier. De ‘stinksloten’ verspreidden bovendien een penetrante geur. Bij het Consent van 1584 kwamen het bestuur van de stad Haarlem en de ambachtsheer van Brederode overeen, dat de Zijlweg de zuidelijkste grens binnen de Heerlijkheid Brederode vormde tot waar gebleekt kon worden. Ten zuiden van deze grens was het duinwater bestemd voor de bierbrouwers.

Ten gevolge van dit besluit zijn er in Aerdenhout nooit blekerijen ontstaan. Pas in de heerlijkheden Heemstede en Bennebroek waren ze weer toegestaan. Daarentegen maakten de blekers weer bezwaar tegen de overlast van stank en roet die de bierbrouwers veroorzaakten. In 1608 kwam er een verordening waarbij de bierbrouwers om die reden geen Engelse steenkool meer mochten gebruiken.

Activiteiten op de blekerij 1725. Een stapel gewassen linnen wacht op wringbeurt, op de achtergrond droogbergen. Gerbrand van den Eekhout,’ Linnenblekerij buiten Haarlem’, 1659-1665. Collectie Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum.

Voorvechter Pieter van Hulle

De blekers ontvingen de te bewerken weefsels in consignatie van de lijnwaadhandelaars. Die kwamen de bleekresultaten tussentijds regelmatig in ogenschouw nemen en werden dan met alle egards door de blekers ontvangen. De bleker moest niet alleen zorgen dat het bleken technisch goed verliep, maar ook dat al het linnen weer werd teruggeleverd. Bij geschillen trok de bleker meestal aan het kortste eind. Een groot gemis was het ontbreken van een gilde van blekers of een andere vorm van collectieve belangenbehartiging.

Het was de verdienste van Pieter van Hulle dat hij daar pogingen toe in het werk heeft gesteld, weliswaar zonder veel resultaat. Hij werd in 1585 te Haarlem geboren in het gezin van een gevluchte linnenhandelaar uit Vlaanderen. Hij vestigde zich in eerste instantie als lijnwaadbleker te Bloemendaal, verhuisde daarna naar Heemstede en in 1633 naar Bennebroek. Tot op het laatste moment heeft deze energieke ondernemer de broodnodige samenwerking tussen blekers bepleit. Hij vond dat de enige manier om hun zwakke positie tegenover de machtige Haarlemse brouwers en de vermogende lakenhandelaars te weerstaan.

Jacob van Ruisdael, 1660. Gezicht op de bleekvelden van de familie De Mol, de buitenplaats Hartenlust, mogelijk Sparrenheuvel, en de kerk van Bloemendaal. Olieverf op doek. Collectie Sumner, Wadsworth Atheneum Museum of Arts, Hartford, Verenigde Staten.

Rumoerige seizoenarbeiders

Het bleken op de velden vond gedurende de lente- en zomermaanden, van maart tot september plaats en was zeer arbeidsintensief. Elk voorjaar reisden honderden vrouwen en mannen te voet van heinde en ver, vanuit Brabant en Overijssel en zelfs vanuit het Duitse Westfalen, om dat seizoenswerk te komen verrichten. Ze werkten harder dan lokale krachten, maar het was wel een roerig volkje.

De eenvoudige inwoning kregen ze bij de blekers. Maar de ‘bleekboden’, zowel mannen als vrouwen, moesten hun eigen potje koken in de zogenaamde zomerkeuken. Om beurten moest door de blekersknechten ’s nachts samen op het veld gewaakt worden ter voorkoming van diefstal van het kostbare textiel. Meestal op het verst van het veld stond een waakhut met een paar bedden. Vuurwapens en waakhonden waren aanwezig. Bij de zogenaamde ‘speeldagen’ zoals de jaarlijkse kermis kregen de werknemers vrij en extra uitbetaald. Ze konden veel overlast veroorzaken door dronkenschap, vechtpartijen, diefstal en meer dan eens aanrandingen en verkrachting.

Rembrandt van Rijn, 1651. Panorama bij Bloemendaal met het huis Saxenburg Sinds 1638 was de buitenplaats Saxenburg eigendom van Christoffel Thijsz, de man van wie Rembrandt zijn huis aan de Jodenbreestraat had gekocht, maar niet kon afbetalen. Mogelijk maakte hij deze prent als geschenk voor zijn schuldeiser. Het gezicht op Bloemendaal en Haarlem in de verte is niet in één opslag waar te nemen. Rembrandt gebruikte wellicht meerdere schetsen om het vergezicht volledig te vangen. Ets en droge naald. Collectie Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum.

Hard bestaan

Het werk op de blekerijen was hard. Afhankelijk van de zwaarte werd onderscheid gemaakt tussen werk voor vrouwen en voor mannen. De werktijden in de blekerijen waren niet vastgelegd, men werkte van ’s morgens vroeg tot ’s avonds in de schemering. De schaftpauzes waren krap, en bij ziekte werd geen loon uitbetaald en dreigde ontslag. Op zondagen moest soms een aantal uren op de blekerij gewerkt worden, maar men had wel vrije tijd om de eigen kleren te wassen en te onderhouden.

Vanzelfsprekend hadden de blekers ook te maken met financiële en belastingtechnische perikelen. De blekers moesten hun hulpstoffen en arbeidsloon direct afrekenen, terwijl zij de vergoeding voor het bleken pas na afloop van het seizoen kregen. Beschadiging en vermissing werden op de blekers verhaald. Sommige opdrachtgevers schrokken er zelfs niet voor terug om weeffouten in hun aangeleverde materiaal te verhalen op de blekers. En natuurlijk ontstond niet zelden onenigheid over de geleverde bleekprestatie zelf.

Omdat de blekerijen in Aelbertsberg en Tetterode buiten de stadsgrenzen waren gesitueerd hoefden er geen stadsbelastingen te worden afgedragen. Maar dat gold niet voor de eventuele erfpacht van de grond en diverse andere grondgebonden belastingen. Bij een normale exploitatie kwamen alle belastingen in de zeventiende eeuw op negentien procent van de exploitatiekosten uit. Al met al was het leven van een linnenbleker geen vetpot, met wat vee en tuinbouw voorzag hij verder in zijn eigen onderhoud. Het merendeel der blekers leidde een sober bestaan. Faillissementen deden zich vaak voor.

Vincent Laurensz van der Vinne, 1736. De linnenblekerij achter de huidige villa Buytentwist aan de Bloemendaalseweg 187 in Overveen. Op de achtergrond de buitenplaats Hartenlust en de kerk van Bloemendaal. Paneel, waarschijnlijk een schoorsteenstuk, olieverf op doek. Collectie Frans Halsmuseum.

Wasserijen

Linnenblekerijen mogen niet op één lijn worden geplaatst met wasserijen, de zogenaamde kleerbleken. Gefortuneerde inwoners uit de steden lieten hun kleding een paar keer per jaar behandelen door aparte blekerijen die ook in de omgeving van de duinen waren gesitueerd. Het wasproces verliep veel eenvoudiger en korter, het ging om stukgoed. De te verrichten arbeid was te overzien en vereiste minder kennis. Er was wel sprake van veel diefstal in de wasserijen.

Toen het omstreeks 1850 snel bergafwaarts ging met de linnenblekerijen schakelden enkele over naar wasserijen. Het bedrijf van de oorspronkelijk uit Vlaanderen afkomstige familie Gehrels, ooit gelegen op de plaats van het Joan Mauritsplein te Overveen, is daar het laatste voorbeeld van. De gebouwen zijn in 1937 gesloopt en door de gemeente Bloemendaal geschonken aan het Openluchtmuseum in Arnhem, waar ze zijn herbouwd en in volle bedrijvigheid zijn te bewonderen.

Door het verdwijnen van blekerijen in Bloemendaal en Overveen konden bekende Bloemendaalse buitenplaatsen ontstaan zoals Hartenlust, De Rijp, Sparrenheuvel en De Beek. Maar ook de opkomende bollenkwekers maakten er dankbaar gebruik van. In Overveen en in het destijds tot Bloemendaal behorende Ramplaangebied kwam een levendige bloembollencultuur van de grond.

Cornelis C. van Noorde. 1764. Gezicht op de blekerijen bij de hofstede ‘Veen en Duin’ aan de Kennemerweg in Bloemendaal door Cornelis C. van Noorde (1731-1795). Pen en penseel in zwart en wit. Collectie Noord-Hollands Archief.

Tenslotte

In de omgeving van Bloemendaal heeft het bleken van linnen ruim twee eeuwen een vooraanstaande rol gespeeld, in een tijd dat men voornamelijk was aangewezen op het gebruik van natuurlijke hulpstoffen. Het perfecte duinwater en de geologische omstandigheden hebben daar een doorslaggevende rol bij gespeeld. De uit de zuidelijke Nederlanden gevluchte deskundige linnenblekers hebben voor een enorme steun in de rug gezorgd. De Haarlemse linnenhandelaren hebben het meeste baat gehad van de Bloemendaalse linnenblekers.

Hendrik Tavenier, 1777. Tekening van de blekerij van Gehrels aan het voormalige Binnenpad, tegenwoordig Cearalaan, gezien vanaf de Bloemendaalseweg te Overveen. De blekerij is in 1938 herbouwd in het Openluchtmuseum in Arnhem. Collectie Noord-Hollands Archief.

Auteur: Tames Kokke

Bronnen:

Het is de verdienste van mevrouw S. C. Regtdoorzee Greup-Roldanus, die in 1936 promoveerde op de Economisch- en Sociaal-Historische Onderzoekingen van de geschiedenis der Haarlemmer Bleekerijen dat we zo veel weten van de geschiedenis der blekerijen. Irene Maas verrichtte onderzoek en publiceerde in 2015 over de linnenbleek op Texel en maakte daarbij het boek van mevrouw S. C. Regtdoorzee Greup-Roldanus toegankelijk. Ook in Bloemendaal van Wim Post verdient vermelding. Verder is er op internet (o.a. Duinenenmensen.nl) een schat aan kennis te vinden voor degenen die zich verder willen verdiepen.

Dit artikel is eerder verschenen in kwartaaltijdschrift Ons Bloemendaal, een uitgave van Stichting Ons Bloemendaal.

Publicatiedatum: 09/03/2026

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.