Daar zaten zeven kikkertjes

"Daar zaten zeven kikkertjes, al in een boerensloot. De sloot was toegevroren, ze lagen hallef dood. Ze kwekten niet, ze kwaakten niet, van honger en verdriet." Je hebt vast ergens een boekje met oude rijmpjes en versjes of kinderliedjes liggen waar deze negentiende-eeuwse klassieker in staat. Het is een vrij triest kinderliedje, waar de 'zeven kikkertjes' flink te lijden hebben in de koude winter en van de honger niet meer kwaakten. Echter, anders dan je in de meeste 'Ben je boos? Pluk een roos'- boekjes leest, is 'Van honger en verdriet' niet de laatste regel. Ken jij de volledige tekst nog?

Book 2 min

‘Wij zongen eens zoo mooi!’

‘Daar zaten zeven kikkertjes’ is geschreven door de Nederlandse arts, Jan Pieter Heije (1809-1876), die vooral beroemd is geworden om zijn dichtkunst en kinderliedjes. In de originele versie van het liedje, volgen er nog twee zesregelige strofes (sextetten) waarin de jongste van de zeven kikkertjes de hoofdrol krijgt. De kleine amfibie merkt het gezang van de nachtegalen op en stelt dat zodra de lente aanbreekt, de kikkers mooier zullen zingen dan deze zangvogel. De ik-verteller denkt daar echter anders over.

“Daar zaten zeven kikkertjes
Al in een boerensloot,
De sloot was toegevroren,
Ze lagen hallef dood,
Ze kwekten niet, ze kwaakten niet
Van honger en verdriet.

De Jongste, die een wijsneus was,
Zei tot zijn kameraads:
‘Die malle nachtegalen,
Wat hadden die een praats!
Was eerst het ijs maar in den dooi,
Wij zongen eens zoo mooi!’

De milde, lieve Lente kwam;
Zij kwaakten de oude wijs:
Als zij dat zingen noemen,
Wensch ik ze weer in ’t ijs;
Ik geef die kikkers allemaal
Voor éénen nachtegaal.”

Jan Pieter Heije laat als ik-verteller hier in de laatste regels merken, de voorkeur te geven aan de nachtegaal. Zodra hij de kikkers met mooi weer hoorde kwaken, wenst hij ze ‘weer in ’t ijs’.

Pentekening van het klassieke kinderliedje ‘Daar zaten zeven kikkertjes’

Jan Pieter Heije

De schrijver van ‘Daar zaten zeven kikkertjes’ begon ooit als arts. Jan Pieter Heije studeerde medicijnen, werkte mee aan de bestrijding van een cholera-epidemie, was medeoprichter van het Amsterdamse Prinsengrachtziekenhuis en heeft veel voor de Maatschappijen tot Nut van ’t Algemeen, ter bevordering van de Genees- en Toonkunst, gedaan. Een ware volksverbeteraar kun je wel zeggen. Met het schrijven van poëzie en kinderliedjes wilde hij ook ‘verbeteren’, maar dan op een andere manier. Met de liedjes die hij in zijn eerste bundel kinderliedjes publiceerde, wilde hij kinderen opvoeden tot goede burgers. Allerlei deugden als leergierigheid, nederigheid en dankbaarheid werden door de Amsterdamse arts en schrijver sterk benadrukt. Ook daadkracht en vaderlandsliefde stonden bij Heije hoog in het vaandel. Dankzij hem zingen we nog altijd over Piet Heijn en de zilvervloot.

De dichtkunsten van Jan Pieter Heije zitten achter nog veel meer liedjes die ook nu nog steeds bekend zijn en behalve in bundels en boekjes ook mondeling worden overgeleverd. Denk bijvoorbeeld aan het Sinterklaaslied ‘Zie, de maan schijnt door de bomen’ of het bekende ‘Klein, klein kleutertje, wat doe je in mijn hof’.

Auteur: Liza Koppenrade

Bronnen

Publicatiedatum: 06/04/2016

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN