Crisissen leiden vaker tot hamsterwoede

Het begin van de coronacrisis, zo rond 13 maart, kenmerkte zich door een fenomeen dat we lang niet meer hebben gezien: hamsteren. Toiletpapier vloog de winkels uit, al was niet écht duidelijk waarom.

Het leek wel oorlog. Nou ja, dat was het ook, maar dan een oorlog tegen een onzichtbaar virus. Premier Rutte liet al snel weten dat hamsteren nergens voor nodig was. ‘We hoeven niet bang te zijn zonder voedsel of wc-papier te komen zitten.’ Vooral de schappen met toiletpapier, blikconserven, deegwaren, bakproducten, houdbare zuivel, pasta, soepen en rijst bleven nog dagenlang leeg. Mensen staken elkaar aan, constateerde een supermarktmanager. ‘Ik sprak een mevrouw die voor alleen een chocoladereep naar de winkel kwam. Uiteindelijk ging ze weg met 80 euro aan boodschappen.’

Bij hamsteren wordt vaak aan de Tweede Wereldoorlog gedacht, toen de bevolking overal gebrek aan had. Wie geld had kon snel nog wat inslaan, in afwachting van slechtere tijden. Maar hamsteren vindt niet alleen in oorlogstijd plaats. Nadien zijn er diverse crisissen geweest, die de angst voor een nieuwe oorlog aanwakkerden, zoals de oliecrisis in de winter van 1973/1974, die het gevolg was van een Arabische boycot tegen Nederland. Dat leidde niet alleen tot autoloze zondagen, maar ook tot een hamsterwoede. Niet alleen benzine werd gehamsterd, maar ook slaolie, zeeppoeder, toiletpapier, kaarsen en plastic vuilniszakken. Aangezien vuilniszakken haast niet meer te krijgen waren, overwoog menig huisvrouw (die had je toen nog) de vuilnisemmer maar weer van zolder te halen.

Lege toiletpapierschappen in een Amsterdamse supermarkt tijdens de coronavirus pandemie, 13 maart 2020. Foto: Hay Kranen, via Wikimedia.

Koude Oorlog

Maar voor de meest ingrijpende crisis moeten we terug naar het begin van de jaren zestig, toen de Sovjet-Unie en de westerse wereld op gespannen voet met elkaar verkeerden, een periode die als Koude Oorlog de geschiedenis in zou gaan.

De spanningen liepen soms hoog op en in oktober 1962 waande de wereld zich zelfs even aan de vooravond van een Derde Wereldoorlog. Alom werd gevreesd dat het wel eens de eerste kernoorlog uit de geschiedenis van de mensheid zou kunnen worden.

Alle ogen waren gericht op Cuba, waar de Sovjet-Unie 40.000 soldaten had gelegerd om de bevriende dictator Fidel Castro een hart onder de riem te steken. Castro lag weer overhoop met het Amerika van president John F. Kennedy, omdat het inmiddels socialistische Cuba in Amerika’s ‘achtertuin’ lag. De Sovjet-Unie had niet alleen soldaten gestuurd, maar ook twintig kernkoppen. Die kernkoppen waren overigens nog niet op de raketten gemonteerd, die op Amerika waren gericht. Sergej Chroesjtsjov, die destijds als ingenieur bij het Sovjet-raketprogramma werkte, en tevens de zoon was van de toenmalige Sovjet-leider, zou later verklaren: ‘Vader zou nooit hebben toegestaan dat ze op de raketten werden geplaatst.’ Al roept dat meteen de vraag op wat die kernkoppen dan op Cuba deden; waarschijnlijk waren ze vooral bedoeld om mee te dreigen.

Demonstratie tegen de Amerikaanse blokkade van Cuba in Amsterdam, 1962. Foto: Freek Aal. Collectie Nederlands Fotomuseum.

Uiteindelijk liep het conflict, dat een kleine week zou duren, met een sisser af. De Russen beloofden hun raketten terug te trekken uit Cuba en de Amerikanen beloofden het eiland niet binnen te zullen vallen.

Maar ondertussen had de wereld zijn adem wel een paar dagen ingehouden. Lou de Jong, onze nationale kroniekschrijver van de Tweede Wereldoorlog, mocht op televisie uitleggen dat we langs de rand van de afgrond waren gescheerd. En een Nederlandse dienstplichtige die in het Duitse Osnabrück was gelegerd, herinnerde zich uit die tijd nog hoe hij naar de radar zat te turen ‘of de Russen er al aankwamen.’

De schrik zat er ook in Nederland goed in, want hier en daar werd flink gehamsterd. Zelf herinner ik me dat mijn vader – we woonden in Diemen – een kast had volgepropt met biscuit en ander lang houdbaar voedsel. Met acht jaar was ik nog te jong om het conflict te bevatten, maar ik herinner me nog wel dat Kennedy onze held was, omdat hij die communisten toch maar mooi terug in hun hok had gedreven. Mijn moeder – inmiddels 89 – kan zich niet meer herinneren wat ze nu precies hamsterde. “Het zal geen biefstuk zijn geweest, maar potten jam.”

Hamsteren, het enige wapen van de huisvrouw. Illustratie uit Het Parool, 7 november 1962.

Vijf sloffen sigaretten

Op 7 november 1962 wijdde dagboekanier Henri Knap in Het Parool een column aan een aantal Amsterdamse huisvrouwen, die op het hoogtepunt van de Cubacrisis hadden gehamsterd. Onder hen was een mevrouw die meteen maar tweehonderd potten jam had ingeslagen, omdat, zo vertelde ze later aan haar vriendinnen, jam het enige was waarvan haar winkel erg veel in huis had. Later zou ze daar spijt van krijgen, want zulke lekkere jam was het nou ook weer niet.

Henri Knap kreeg ook een boze brief van een mevrouw uit de Beethovenstraat, die verontwaardigd meldde hoe er om haar heen werd gehamsterd. De ene huisvrouw kocht twee kilo suiker extra, een ander kocht zes blikken zalm, zes flessen sla-olie en zes blikken soep. En haar benedenbuurvrouw haalde maar liefst vijf sloffen sigaretten in huis, want die kon je zo lekker ruilen. De mevrouw uit de Beethovenstraat sprak er schande van. ‘Zo schept men paniek en neemt alvast voor zichzelf in beslag wat beter zou kunnen worden verdeeld.’

De Dagboekanier snapte die hamsterbehoefte overigens wel. Was het immers niet de Nederlandse regering die haar burgers bij een eerdere crisis, die rond de bouw van de Berlijnse muur, had opgewekt een noodvoorraadje aan te leggen? Dat nam overigens niet weg dat hij al dat gehamster maar pathetisch vond. ‘Mens, wat héb je er aan als de grote boem komt.’ De angst voor een kernoorlog zat er goed in ten tijde van de Koude Oorlog.

‘De kater van de hamsteraar – Hij wilde een vinger in de pap hebben.’ Spotprent van Leendert Jurriaan Jordaan uit Het Parool, 15 november 1956. Collectie Atlas van Stolk.

Lichaam en ziel

Vervolgens dwaalden de gedachten van de Parool-columnist af naar de oorlogsjaren ‘40-‘45, toen minister De Geer de bevolking opriep vooral niet te hamsteren. Maar ja, toen brak de Hongerwinter aan en keek hij toch met afgunst naar vrouwen die nog vijf blikjes Philip Morris (sigaretten) en drie kruiken Bols (sterke drank) in huis hadden. Niet dat je daar de honger mee kon stillen, maar ‘het hield althans lichaam en ziel bij elkaar,’ zoals Knap het formuleerde.

En ja, natuurlijk waren er in 1940 duizenden Amsterdammers die geen geld voor sigaretten of flessen drank hadden, maar kon je het een moeder die er wél het geld voor had in alle ernst kwalijk nemen dat zij ‘in een bange tijd doet wat zij kan?’ Zelf, zo gaf Knap eerlijk toe, had hij er in 1944-1945 spijt van dat hij indertijd niet méégehamsterd had. Om er filosofisch aan toe te voegen: als je dan toch iemand de hamsterwoede kwalijk wil nemen, ‘laten wij dan de Groten dezer Aarde verwijten, dat zij een wereld hebben geschapen en in stand houden, die een vrouw er toe brengt zich op deze wijze te bekommeren om de toekomst.’

Vrouwen tijdens de Eerste Wereldoorlog in de rij voor aardappelhandel A. van Dusseldorp, 1917. Binnen een half uur was de voorraad uitverkocht. Fotocollectie Het Leven (1906-1941), Spaarnestad Photo.

Tekst: Arnoud van Soest
Bronnen: Vrije Volk, Het Parool en andere via Delpher te raadplegen kranten

Publicatiedatum: 30/04/2020