Beurs voor Grootschermer bootsgezellen

In het raadhuis van Grootschermer is, net als in dat van De Rijp, een gevelsteen geplaatst met een vissende haringbuis. De gevelsteen laat zien dat ook de dorpelingen van Grootschermer (voorheen Zuidschermer) hun aandeel hadden in de zeevarende geschiedenis van het Schermereiland.

Het Raadhuis van Grootschermer

In 1938 worden de twee oude rechthuizen van Grootschermer, voorheen verdeeld in de banne Noord- en Zuidschermer, samengevoegd tot één raad- en rechthuis.
Het rechthuisje van Noordschermer uit 1652 werd steen voor steen afgebroken en in omgekeerde volgorde minutieus weer opgebouwd naast het raadhuis van Zuidschermer uit 1639. Dit bouwjaar is te zien op de muur van het raadhuis in de vorm van muurankers.
Beide gebouwen hebben boven de ingang een gevelsteen met een afbeelding van Vrouwe Justitia.

Regionaal Archief Alkmaar, tekening H. de Winter, 1743

Het Raadhuis van Grootschermer, tekening H. de Winter 1743. Regionaal Archief Alkmaar

Dorpelingen ter zee

In de 17een 18e eeuw is er in de dorpen Graft en De Rijp een levendige haring- en walvisvaart. In het oude archief van ‘Suutende van Schermer’ (later Grootschermer) bevindt zich een inschrijfboekje van ‘de bootsgeselle’. Het bevat een namenlijst van dorpelingen die van 1656 tot 1674 ‘ter zee’ zijn gevaren. Elk jaar wordt een aantal mannen ingeschreven en per jaar wordt gemiddeld 25 gulden ingelegd wat overeen komt met zo’n veertig bootsgezellen die naar alle windstreken afvaren: ‘na de West, Vranckrijck, Noorwegen, nae Westindiën, ten haring, Groenlant en na Oosten.’
In 1672 wordt er ook ‘ten oorligh’ gevaren en gesproken van ‘de Buidel’ zoals men ook zeevarende buidels had in Noordeinde, Graft, De Rijp en de Graftdijken.
De algemene inleg per vaart is tien stuivers, maar ‘nae Groenlant’ betaalt men vijftien stuivers wat duidt op een verhoogd risico. Maar ook dichterbij huis waren er risico’s, zo blijkt uit een document van 1681.

Tot slaaf gemaakt

In het oude document legt een groep zeelieden een verklaring af dat een aantal mannen uit Grootschermer en Driehuizen in 1679 op weg zijn gegaan naar Lissabon. Onderweg zijn ze echter overvallen door ‘een woeste Turkse rover’ en afgevoerd naar Algiers alwaar zij tot slavernij vervallen. Dit tot groot verdriet en ongeluk van de achtergebleven families op het Schermereiland. Ze verliezen niet alleen hun echtgenoot, vader of zoon, maar ook zijn ze een kostwinner kwijt.
Het doel van de verklaring het document van 1681 is om toestemming te krijgen voor een collecte onder de dorpelingen om de zeelui vrij te kopen. Omdat het document er verder niets over vertelt moeten we maar hopen dan hun inspanningen niet tevergeefs zijn geweest.

Vijf christenslaven ontvluchten Algiers per roeiboot, Jan Luyken, 1684

Publicatiedatum: 08/11/2011