‘Amsterdam is in de storm geboren’

Amsterdam is door stormen ontstaan. En de eerste bewoners waren geen boeren of vissers, maar handelaren en ambachtslieden. Dat is de overtuiging van hoogleraar Jerzy Gawronski, tevens hoofd archeologie van de gemeente Amsterdam.

Lees volgende verhaal

Op 15 februari geeft hij in Huis van Hilde (Castricum) een lezing over de informatie die het archeologisch onderzoek ten tijde van de aanleg van de Noord/Zuidlijn heeft opgeleverd. Voor de aanleg van die nieuwe verbinding moesten diepe bouwputten worden geslagen en daar konden de Amsterdamse archeologen mooi van profiteren. “Het zijn de diepste bouwputten ooit in Amsterdam geslagen,” vertelt Gawronski. “Putten met een diepte van 25-30 meter, veel dieper dus dan een bouwput van zes meter die nodig is voor een parkeergarage.”

Die diepe bouwputten boden niet alleen kans om diep in de Amsterdamse bodem door te dringen, maar ook om het tracé van rivier de Amstel te bestuderen. “We konden daardoor letterlijk tot op de bodem van Rokin en Damrak afdalen, gebieden die ooit deel uitmaakten van de rivier de Amstel.”
Het Damrak, waarvan een deel in 1880 is gedempt, daar waar nu de Beurs van Berlage staat, lag ooit aan de monding van de Amstel.

Door die diepe bouwputten konden de archeologen een kijkje nemen in een rivierbedding die tot 12 meter diepte was uitgeschuurd. En dat is andere koek dan een gracht van drie meter diep. “Als je iets wilt weten over de vroegste geschiedenis van Amsterdam, kun je dat alleen op de diepste plekken vinden.”

Bedding van de Amstel ter hoogte van het Rokin: Foto Monumenten en Archeologie, gemeente Amsterdam.Bedding van de Amstel ter hoogte van het Rokin.
Foto: Monumenten en Archeologie, gemeente Amsterdam.

2400 vòòr Christus

Bij de opgravingen voor de Noord-Zuidlijn troffen de Amsterdamse archeologen de allervroegste voorwerpen aan die ooit in Amsterdam zijn gevonden, artefacten van 2400 vòòr Christus.

Het gaat om bijlen van steen, het gewei van een edelhert, dat waarschijnlijk als hakwerktuig is gebruikt, een priem gemaakt van het rib van een varken, stenen die gebruikt werden om graan te malen en tientallen scherven van zogenaamde klokbekers. “Het zijn allemaal voorwerpen die op tal van plekken in Noord-Holland zijn gevonden, maar nooit eerder in Amsterdam.”

Dat die voorwerpen uit 2400 vòòr Christus stammen, wil overigens niet zeggen dat Amsterdam ook zo oud is, of “dat er zich op die plek een Asterix- en Obelixdorpje bevond,” zoals Gawronski het formuleert. Het gaat om sporen van menselijke activiteiten die ter hoogte van het Rokin door de rivier zijn opgeslokt, maar het zijn er nou ook weer niet zóveel dat je van een nederzetting kunt spreken. “Je moet eerder aan tijdelijke bewoning denken, aan seizoenskampen. In die tijd woonden de mensen meestal op vaste grond, maar in bepaalde seizoenen streken ze ook op andere plekken neer om te vissen en te jagen. Het is uniek dat we voorwerpen uit die tijd hebben gevonden, maar we hebben geen bouwsporen aangetroffen.”

De informatie die het archeologisch onderzoek heeft opgeleverd, maar ook het geologisch onderzoek naar pollen en zaden, bevestigt wat Gawronski en zijn collega’s al dachten. “We kunnen ons daardoor een goed beeld vormen van hoe de Amstel er zo rond 1000 vòòr Christus uitzag, toen het een zoetwaterrivier werd.”

Scherf van een klokbeker, aardewerk uit de vroege bronstijd Foto: H. StrakScherf van een klokbeker, aardewerk uit de vroege bronstijd
Foto: H. Strak

De eerste Amsterdammers

Maar het zou pas tot 1200 nà Christus duren voordat mensen aan de monding van de Amstel, dus in het gebied rondom de Dam, gingen wonen en een nederzetting vormden waar Amsterdam uit is voortgekomen. Destijds woonden er rondom dat gebied wel mensen, maar hoe dichter je bij de monding van de Amstel kwam, hoe drassiger het werd. Gawronski: “De Amstel was er vooral om op te varen, zodat je via Muiden en de Vecht naar Utrecht kon. Over water reizen was immers een stuk makkelijker dan over drassig land te soppen.”

Wonen deden de mensen liever in het drogere binnenland, in Sloten of Diemen, waar ze koeien konden houden, kaas maken of eieren verkopen.

Maar zo rond 1160 veranderde het landschap ingrijpend, door een opeenvolging van stormvloeden. Het is voor een 21ste eeuwer moeilijk voor te stellen, maar de Amstel en Zuiderzee (het huidige IJsselmeer) zijn er niet altijd geweest. Almere – en dan hebben we het niet over de gelijknamige stad met busbanen, maar over de tijd dat het gewoon water was -, was ooit een gesloten kom, zonder verbinding met de Noordzee.

“In twintig jaar tijd zijn de veenbanken in het noorden weggeslagen, waardoor Wieringen open kwam te liggen, het Marsdiep ontstond en het water contact kreeg met de Waddenzee. Door die stormen werd steeds meer veen weggeslagen en brak Almere open.”

Historici als Buisman zien dat als de geboorte van de Zuiderzee. “Dan hebben we het over 1170, toen de Allerheiligenvloed plaatsvond. Dat was een rampjaar, met zuidwesterstormen, die het water heel ver het land in joegen.”

Hak gemaakt van het gewei van een edelhert Foto: H. Strak
Hak gemaakt van het gewei van een edelhert
Foto: H. Strak


Daling Zuiderzee

De stormen zorgden er voor dat het water weg kon stromen, waardoor het waterpeil van de Zuiderzee zakte. “Het is best mogelijk dat het waterpeil wel één meter daalde, waardoor de Amstel, die met de Zuiderzee in verbinding stond, kon gaan stromen, zodat het aan de monding van de Amstel droger werd.”

Toen de Amstel eenmaal begon te stromen, werd het mogelijk om – via het IJ – andere delen van Nederland te bereiken: Zaanstreek, Kampen, Texel. “Je kunt dus gerust zeggen dat Amsterdam in een storm is ontstaan. Het veenlandschap brak open, waardoor het water ging stromen.”

Dat bevestigt meteen waarom er geen eerdere sporen van bebouwing in Amsterdam zijn gevonden. “De laatste stormvloeden dateren van 1210 en 1220, waarna men begon met het bouwen van zeedijken en het ophogen van de grond. Pas daarna hebben we de vroegste sporen van bebouwing gevonden.”


Jerzy Gawronski. Beeld: Arnoud van Soest. 

Huisje langs de Amstel

Gawronski stelt zich zo voor dat de boerengemeenschappen in het binnenland, die de rivier vòòr die tijd alleen voor transport gebruikten, het landschap in heel korte tijd helemaal zagen veranderen. “De Amstel oevers werden voor het eerst droog genoeg om  huisjes te kunnen bouwen; nu was het een knooppunt van vaarwegen geworden dat  de eerste handelaren uit de Hanzesteden aantrok.”

Ouderkerk, dat vroeger op een kruispunt lag vanwaar je via de Vecht naar Utrecht kon, werd daardoor minder een knooppunt, want voortaan kon je via de Amstel buitenom naar zee. “Amsterdam is dus van meet af aan nooit een dorpje van boeren en vissers geweest, maar was al meteen een dorp van handelaren en schippers. De mensen die zich daar vestigden waren de neven en nichten van de boeren uit het binnenland, die gingen handelen in kaas en vlees dat in het binnenland werd geproduceerd.”

De resten van huizen die de archeologen tussen 1220 en 1250 vonden hebben weliswaar dezelfde structuur als de boerderijen in Diemen en Sloten, maar ze missen één belangrijk ding: stallen. “Ze hielden namelijk geen koeien. Ja, misschien een varken op het achtererf, maar geen vijftig koeien. Het waren handelaren en ambachtslieden.”

Jerzy Gawronski is hoofd van de afdeling Archeologie van de gemeente Amsterdam en hoogleraar maritieme en urbane archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Op 15 februari 2018 geeft hij in het naast het station van Castricum gelegen Huis van Hilde een lezing over bodemvondsten bij de aanleg van de Noord/Zuidlijn.

Kaarten kunnen worden gereserveerd via www.oerij.eu en huisvanhilde.nl, of anders telefonisch: 023-5143247. De kosten voor een avond bedragen 10 euro, inclusief koffie.

Auteur:  Arnoud van Soest

Written by:

Other posts by

Oneindig Noord-Holland maakt verborgen verhalen zichtbaar samen met:

Bekijk het gehele partneroverzicht