350 jaar geleden, in 1676, was het koud in Nederland. Héél koud. Zware vorst en een ijzige zuidoostenwind hielden het land in een wurggreep. Delen van de zoute Zuiderzee vroren dicht, net als het Haarlemmermeer. De Noord-Hollandse waterwegen transformeerden langzaam in zingend ijs. Geweldig, moet Claas Arisz. Caeskoper hebben gedacht. Perfect weer om te schaatsen.
Olieslager
Caeskoper werd in 1650 geboren en woonde in Koog aan de Zaan. Ondanks wat zijn achternaam doet vermoeden, zat hij niet in de kaashandel, maar was hij een olieslager. Zo wordt de molenaar van een oliemolen genoemd, naar de oliehoudende zaden die in de molen worden vermalen en geperst. Geslagen, om maar zo te zeggen.
Dagboek
Naast olieslager was Caeskoper ook een fervent schaatser. Hij maakte regelmatig schaatstochten met zijn vrienden. Die beschreef hij in zijn ‘Nootysye Boeck’, dat hij vanaf zijn 18e tot 10 dagen voor zijn dood bijhield. Dankzij het dagboek van Caeskoper hebben we een gedetailleerde beschrijving van de Twaalfstedentocht en de kou in het land. Zo weten we bijvoorbeeld dat begin december, op de 4e om precies te zijn, het pontje van Koog aan de Zaan naar Amsterdam nog voer, al had de boot wel moeite door de ijsvorming. Caeskoper voer mee.

Eeuwen geleden was het niet vreemd als groot water dichtvroor of last had van ijsvorming. Zoals hier op de tekening Wintergezicht op het bevriezende IJ door Hendrik Vettewinkel, dat de aankomst over ijs van Noord-Hollandse melkschuiten toont. Stadsarchief Amsterdam / Collectie Atlas Splitgerber, Afbeeldingsbestand 010001000700.
Door het ijs gezakt
Het vroor in de dagen die volgden gestaag door. Zo hard dat Caeskoper samen met goede vriend Claas Rack en een paar knechten naar Assendelft schaatste. Maar het ijs zong te hoog, en zowel Caeskoper als een knecht zakten er doorheen. Hoe hoger het ijs zingt, hoe dunner het is, en dus ook gevaarlijker. Maar Caeskoper liet zich er niet door van de wijs brengen. Hij schaatste door, over kelderaas naar de Wijk en Oostzaan. En toen het ijs zo dik was dat er zelfs paarden overheen konden lopen, schaatste hij naar Amsterdam en andere steden en dorpen in de provincie.
Twaalfstedentocht
Tijdens of na een van die tochten moet hij het bedacht hebben, samen met 3 vrienden, Meindert Arendsz, Jacob Blauw en Jacob Buur. Laten we bijna 300 kilometer gaan schaatsen. Een loodzware en ijskoude maar ook unieke en bijzondere langeafstandsschaatstocht langs 12 steden in Noord-Holland. Waarom niet? Een dichtgevroren Haarlemmermeer en Zuiderzee, en ijs dik genoeg om paarden te dragen. De omstandigheden waren er perfect voor, de kans om door het ijs te zakken vrijwel nihil. En dus vertrokken ze op 19 december om 4 uur ‘s ochtends uit Koog aan de Zaan, een heldere maan aan de hemel. Dat maanlicht hadden de mannen nodig, want het grootste deel van de tocht vond plaats in het donker of de schemer.
Helse rit
Ze schaatsten eerst naar Haarlem en Amsterdam. Daarna naar Weesp, Naarden en Muiden, om uiteindelijk via Pampus Monnickendam, Edam en Purmerend aan te doen. Daar lasten ze een kleine pauze in. Het was inmiddels ook al een uur of 13.00. Ze bonden de ijzers weer onder en schaatsten richting het noorden, naar Hoorn, Enkhuizen, Medemblik en Alkmaar. Ze moesten vanaf Alkmaar overigens nog wel terug naar Koog. Een helse rit voor de uitgeputte mannen die ook nog eens in een sneeuwbui belandden.

Van de schaatstocht van Caeskoper en zijn vrienden zijn geen illustraties of schilderijen. Het olieschilderij Wintergezicht met schaatsers door Andreas Schelfhout met een schemerige lucht en sneeuw op het ijs komt misschien wel in de buurt.
‘In heldere maneschijn uitgereden’
Caeskoper schreef erover in zijn dagboek: ‘Den 19 December 1676, stilkes, d’Wint O. en S. (Saterdag volle Maen den 20) ben ick Claes Aris Caesköper, in Comp. met Mayndert Arent, Jacob Blau en Jacob Buur, op scaetz uitgereden van ditto M. Arentses, de cioc “s morgens 4 uur, in heldere maeneschijn tot Harlem. Van daer tot Amsterdam, van daer tot Wesop – van daer tot Naerde, van daer tot Muiden – van daer over Pampoes tot Munkedam – van daer tot Eedam, van daer tot Purmerend, van daer op de Ouwendijc, daer wij de eerste maal playsterde synde omtrent de cloc een uur, van daer tot Hoorn, van daer tot Enckhuyz, van daer tot Medenblic van daer tot Alcmaer, daer nogh eens playsterde en van daer naer huis, doen wij even van Alcmaer af ware begoste snouwen, en quame soo thuys, omtrent de cloc half nege saves, hebbende bovengemelde 12 stede besogh top één dagh.’
Tweede Twaalfstedentocht
12 steden, 290 kilometer, en 16,5 uur. Het klinkt als een marteling. Niet vreemd dus dat decennialang niemand hen dat nadeed. Tot de gebroeders Oostindie. Klaas en Willem, ook uit Koog aan de Zaan, reden de tweede officieuze Twaalfstedentocht op 29 december 1822, bijna anderhalve eeuw nadat Caeskoper en zijn vrienden dit voor het eerst deden.
30 kilometer extra
Zij schaatsten de tocht andersom. Ze begonnen bij Alkmaar en eindigden in Haarlem. Het vroor die winter iets minder dan in 1676. Zo was de Zuiderzee bijvoorbeeld niet dichtgevroren. Dat bemoeilijkte de zaak voor de Oostindietjes. Ze moesten 30 kilometer extra afleggen en dat was met de weersomstandigheden geen pretje. Het was namelijk een gure winter, die misschien nog wel kouder voelde dan in 1676.

Klaas en Willem Oostindie schaatsten de Twaalfstedentocht omgekeerd. Ze begonnen bij Alkmaar en eindigden in Haarlem, dat u in hier de verte ziet liggen op het schilderij Winterlandschap met schaatsers door Andreas Schelfhout. Beeld via Wikimedia Commons, publiek domein.
Krijsend ijs
De broers vertrokken om 03.15 uur, samen met Joost de Jong, die langs 7 steden schaatste en daarna afhaakte. Het was een barre tocht. Er stond een harde zuidoostenwind, en de jonge mannen kregen te maken met bomijs. Dat is ijs waaronder geen water meer is, en dus gevaarlijk is om over te schaatsen. En op de Haarlemse trekvaart lag een bevroren zandlaag die schaatsen bijna onmogelijk maakte. Een groot deel van de schaatstocht brachten ze klunend door, terwijl de wind gierde en het steeds harder begon te stormen. Het ijs zong niet, het krijste.
‘In geheugen verdient bewaard te worden’
Uiteindelijk waren de broers Oostindie pas om 03.30 uur weer thuis, 24 uur en 15 minuten na vertrek, 12 steden en 320 kilometer in de voeten. In de Algemeene konst- en letterbode 1823 staat een verslag van de broertjes over hun schaatstocht. Het verslag eindigt met de woorden: ‘En tevens hebben zij alzoo getoond, dat er nog voorwerpen gevonden worden, die onze voorvaderen kunnen evenaren, zoowel in lichaamskrachten, als in bekwaamheid, om van de schaatsen gebruik te maken, terwijl men hunnen onbezweken moed, door hunne volharding betoond, bewonderen moet en erkennen zal, dat de door hen gedane togt in geheugen verdient bewaard te worden.’
Daar sluiten wij ons bij aan. Had u het aangedurfd?
Beeld: Stadsarchief Amsterdam en Wikimedia
Dit artikel is eerder verschenen op de website van de gemeente Amsterdam.
Publicatiedatum: 19/02/2026
Vul deze informatie aan of geef een reactie.