Amstelhoek – Bovenkerkerpolder: veenlanden verdwijnen in de schoorsteen

Het veenmoeras rondom Uithoorn werd rond het jaar 1000 ontgonnen en bewoonbaar gemaakt onder leiding van de proost van Sint Jan te Utrecht. Vanaf de twaalfde eeuw begon men ook vanuit het graafschap Holland met het ontginnen van het land bij Kudelstaart. Uithoorn werd letterlijk de uithoek van de Proostdijlanden. De middeleeuwse benaming Ute Hoirne dat ‘uithoek’ betekende, sprak toen voor zich.

Het was slechts een kwestie van tijd voordat de eerste twisten losbarstten over eigendom tussen graaf en proost. Deze laatste werd gesteund door de machtige bisschop van Utrecht. In 1205 brak er oorlog uit tussen de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht waarbij het dorp Mijdrecht en omgeving in vlammen opging. Uiteindelijk lukte het de bisschop het noordwestelijk deel van het gebied te behouden.

Motor van de Gouden Eeuw

De graaf en bisschop hadden al snel de economische potentie van het Utrechts-Hollands veenweidegebied in de gaten. Veen bestaat uit halfvergane plantenresten en veel water. Gedroogd veen levert een goede brandstof op die niet alleen gebruikt werd in de haarden van huizen, maar ook in de ovens van industrieën. Naarmate de welvaart in de Hollandse en Utrechtse steden toenam in de vijftiende en zestiende eeuw, werd de behoefte aan turf steeds groter. Er was immers onvoldoende brandhout in West-Holland aanwezig om met name Amsterdam van brandstof te voorzien. De stad barstte vanaf het midden van de zestiende eeuw uit zijn voegen. Er kwam een levendige en uitgebreide turfhandel op gang tussen de veengronden in Amstelland en de Proostdijlanden en de stad Amsterdam.

Aan het begin van de zeventiende eeuw kwamen ’s zomers elke dag wel 80 schepen vol met turf de stad binnenvaren. De turf werd verkocht op de Turfmarkt aan het Rokin. Maar ook tot ver buiten Holland werd het turf verhandeld, bijvoorbeeld in de Brabantse steden. Zelfs tot in Vlaanderen aan toe kon men turf uit dit gebied kopen.In de loop van  de zestiende eeuw was de eerste veenlaag aan de oppervlakte inmiddels afgegraven. Om toch aan de enorme vraag te kunnen blijven voldoen, moest men de dieper gelegen veenlagen opgraven. Met de introductie van de baggerbeugel in het midden van de zestiende eeuw kon men veen van onder de grondwaterspiegel naar boven trekken. Op een lange houten steel zat een scherpe ring met een schepnet waarmee de natte veenbagger omhoog werd getrokken. Deze ‘natte vervening’ maakte het mogelijk om vele meters extra veen af te graven. Het opgebaggerde veen werd op een smalle strook land te drogen gelegd. Op deze ‘legakker’ onderging het veen allerlei bewerkingen en pas na vier tot zes maanden drogen, konden de turven gebruikt worden in haarden of ovens.

Turfwinning met de baggerbeugel (detail van een prent uit Beschrijvinge van Amsterdam door T. van Domselaer uit 1665). Bron: Noord-Hollands Archief

De term ‘turven’ hebben we overigens te danken aan de turfhandel. Bij het laden van de turfschepen werd voor elke mand met turf een streepje op een plankje gezet. De manden werden letterlijk ‘geturfd’.De uitvinding van de baggermolen was voor de economie zeer gunstig, maar had dramatische gevolgen voor het landschap. Het uitgestrekte veenweidegebied was in de achttiende eeuw veranderd in een moeilijk begaanbare gatenkaas van plassen, poelen, meren, riviertjes en slootjes. Ook van de Bovenkerkerpolder was door vervening omstreeks 1740 niet veel meer over dan een grote waterplas.

Turfwinning bij Amstelveen. Prent van J.C. Philps uit 1741 (detail) Bron: Noord-Hollands Archief

Oorspronkelijk kende deze polder een zelfde eeuwenoude verkaveling als de Ronde Hoep in de vorm van een waaierpatroon. Dit verkavelingspatroon was ontstaan bij de ontginning van het veenmoeras in de middeleeuwen. Eeuwenlang werd de polder gebruikt voor landbouw en veeteelt. Maar in de Bovenkerkerkerpolder begon men rond 1600 eveneens met het afgraven van de ondergrond voor de turfwinning. De onstilbare turfhonger van Amsterdam was voor de plaatselijke bewoners veel lucratiever dan hun kleinschalige veeteelt. In nog geen anderhalve eeuw tijd maakte de baggerbeugel er een meer van 1500 hectaren van.

Wonen op de veenruggen

Niet alle veengronden werden afgegraven. Ter bescherming van dijken bleef een strook langs de rivierdijken onaangetast. Bovendien moesten de veenarbeiders ook ergens in de buurt kunnen wonen. Hiervoor liet men stroken land over waarop dorpjes ontstonden. Deze smalle ‘veenruggen’ lagen hoger dan de afgegraven veengrond. Op deze hogere veenruggen ontstonden later de typisch langgerekte dorpskernen van Amstelveen en Mijdrecht.

Koeien in de Bovenkerkerpolder. Bron: Projectbureau N201+

Een polder van de tekentafel

Om landverlies van bruikbare grond een halt toe te roepen en wateroverlast te voorkomen, besloot een aantal rijke Amsterdammers het ‘Bovenkerkermeer’ droog te malen. Hiertoe legde men eerst een ringdijk om de plas heen. Langs de westkant van de Amstel was nog zo’n hoge veenrug aanwezig die hoger lag dan het meer. Door dit ‘bovenland’ werd de ringvaart gegraven die kaarsrecht langs de kronkelige Amstel liep. Vervolgens pompten een tiental windmolens het water uit het meer weg. Na het droogmalen kon men de grond van de nieuwe polder gaan verkavelen. Door de rechte ringvaart kon de grond in regelmatige stukken worden verdeeld, met potlood en liniaal. Deze strakke, rechthoekige strokenverkaveling is typisch voor de achttiende eeuw waarin de mens de natuur zo optimaal mogelijk naar haar hand probeerde te zetten en zelfs wilde corrigeren.

Het nieuwe land werd gebruikt voor veeteelt. Het zuidelijk gedeelte van de polder is het best bewaard gebleven. Hier staan nog steeds koeien in de wei te grazen op de oude kavels uit 1770.  In West-Nederland zijn in de achttiende eeuw maar weinig veenplassen drooggelegd. Door zijn omvang en behoud van de achttiende-eeuwse verkaveling is de Bovenkerkerpolder zelfs uniek in Noord-Holland.

Bovenkerkerpolder. Bron: Projectbureau N201+

Publicatiedatum: 19/03/2012