Net als Hoorn en Enkhuizen profiteerde Kolhorn in de zeventiende eeuw van de bloei van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De haven van Amsterdam was voor volgeladen koopvaardijschepen moeilijk te bereiken vanwege Pampus, een slibberige ondiepte vlak vóór de stad. Nog zo’n obstakel vormden de hardnekkige zandbanken bij Texel. De compagnie had grote behoefte aan kleine schepen die een deel van de lading konden overnemen.

Oude kaart met zandbanken. Collectie Noord-Hollands Archief.
De Kolhorners wisten daar wel raad mee. Ze voeren op kleine schepen, zogenaamde lichters, naar Texel om de specerijen over te nemen. Vervolgens voeren ze naar de eindbestemming, de Amsterdamse haven. Het systeem werkte ook omgekeerd: het proviand van een schip dat naar Oost-Indië zou varen, werd alvast naar Kolhorn en vandaar naar Texel verscheept.

Detail van een schilderij van Hendrick Cornelisz. Vroom waarop een kleine lichter naast een groot handelsschip te zien is. Collectie Westfries Museum.
Zwarte schuren op de dijk
Kolhorn voorzag West-Friesland niet alleen van vis en wier, maar ook van turf. Deze brandstof uit Groningen en Drenthe werd in turfschuren opgeslagen. Die staan nog op de oude Westfriese Dijk. Uit Friesland werden, behalve turf, ook geelgekleurde bakstenen en straatsteentjes (boerengeeltjes) meegenomen. Voor de tijdelijke opslag van deze goederen werden loodsen direct op de dijk neergezet.
De bekendste schuur heet De Turfschuur en is tegenwoordig een historisch museum. Het museum koestert het roemrijke verleden van het dorp Kolhorn met vele duizenden voorwerpen die het dagelijks leven van toen vertellen. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de veranderingen in het landschap.

Museum De Turfschuur op de dijk. Foto: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Een nieuw gewas
Tussen 1844 en 1847 werden ten noorden en zuiden van Kolhorn de polders Waard en Groet gesticht. Het dorp lag hierdoor niet meer aan zee, maar hield er wel verbinding mee via een uitwatering tussen de polders. De Waard en Groet waren niet meteen het landbouwparadijs waar de droogmakers op hadden gehoopt. De grond was te zout. Een plant die er wel gedijde, was meekrap.
De waarde van meekrap school in de wortels. Die werden na de oogst gedroogd en gestoofd in een oven. Dat gebeurde in torens die in de polder stonden. In een fabriek werden de wortels vervolgens tot poeder vermalen. Zo’n fabriek stond sinds 1862 in Kolhorn. Het donkerrode poeder werd als verfstof in de textielindustrie gebruikt. Lang duurde deze nijverheid niet, want rond 1870 werd het mogelijk de gewilde verfstof langs de chemische weg te verkrijgen.

De meekrap wordt geoogst. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.
Ansjovis uit het Wieringermeer
Tegen 1890 werd ansjovis populair, een vissoort die in het Wieringermeer voorkwam. De vissers van Kolhorn grepen hun kans. In het dorp werd de vangst schoongemaakt en in zout ingelegd. Ook de ansjovisvangst was geen lang leven beschoren, want in 1930 viel het Wieringermeer droog. De Zuiderzee en het vissersbestaan behoorden voorgoed tot het verleden.

Kolhornse vissers op zoek naar ansjovis. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Kolhorn is tegenwoordig een rijksbeschermd dorpsgezicht met een aantal provinciale monumenten.
Tekst en omslagfoto: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Publicatiedatum: 28/01/2011
Vul deze informatie aan of geef een reactie.
1 reactieDe tekst vanaf “Keramiek” is niet meer van toepassing. Opzeeland bestaat niet meer en de betreffende schuur is nu particulier eigendom.