Zorg voor het Blokshofje

Het Blokshofje was een klein hofje in Haarlem voor behoeftige doopsgezinde oude vrouwen. Het hofje heeft zijn oorsprong in het midden van de zeventiende eeuw en telde oorspronkelijk zes huisjes. Het lag direct naast het oude Doopsgezinde Weeshuis aan het Klein Heiligland in Haarlem (in gebruik tot 1874), dat zich daarom ook over de dames op het hofje ontfermde.

Hierover hadden de regenten van dit weeshuis een contract afgesloten met de diakenen van de Vlaamse Doopsgezinde Gemeente De Blok. In dit contract was precies vastgelegd welke diensten daartoe door de binnenvader en -moeder moesten worden verricht en tegen welke vergoeding. In 1719 ontving de binnenvader jaarlijks 50 gulden ‘voor sijn dienst op ’t Blockshofje’. Zo kregen de dames van het hofje van hem brood uit de bakkerij van het weeshuis en een warme maaltijd uit de keuken. Een belangrijke taak van de binnenvader was ook het sluiten van de poort om half elf ’s avonds.

Overeenkomst tussen Vlaamse Doopsgezinde Gemeente De Blok en het weeshuis over zorg voor het Blokshofje, 1719.

Overeenkomst tussen Vlaamse Doopsgezinde Gemeente De Blok en het weeshuis over zorg voor het Blokshofje, 1719. Beeld: Archief Doopsgezinde gemeente Haarlem, inv.nr. 1697.

Diensten van het weeshuis aan het hofje

Hieronder volgen nog enkele andere zaken uit het ‘Accoord rakende het weeshuijs en de gemeente, den 28 november 1719′: “Voor ’t genot van de luijden op ’t Blockshofje driemaal des weeks gekoockte spijs uijt het weeshuijs, sal door de kamer of gemeente [de diaconie] aant weeshuijs betaald worden 6 gulden des maands, of int jaar f 72,-. Voor zout, zeep en vrij wassen int jaar f 50,-, voor het schoonmaaken van ’t Hofje eens int jaar f 10,-, komt jaarlijx f 132,-. Maar de verdere bediening op ’t Blockshofje, van kleedingh, geld, medicine en wat de luijden op het voornoemde hofje boven het voorschreevene mogten van noden hebben, sal blijven voor reekening en tot laste van de kamer of gemeente, doch is geconditioneerd dat de boeltjes uijt de sterfhuijsen van gealimenteerde leedematen sullen voor reekening van de gemeente gebrocht worden int weeshuijs onder de directie van de moeders [regentessen], dewelcke vrijheijd sullen hebben, om daar uijt de behoeftens op ’t voornoemde hofje, als oock het geene de kamer aan andere behoeftige leedemaaten toe staan sal, na haar beste goedvinden te besorgen.””En indien het nodige linnen of wollegoed, bij haar niet bequaam geoordeelt wierd uijt het voornoemde gemeentensgoet, dan sullen sij dat nieuw daarbij mogen koopen, en de penningen die sij daar toe als oock de penningen die sij aan de luijden op het hofje tot assistentie mogten verschieten, daar toe sullen de moeders ontfangen het geld dat van de doovekoolen uijt de Backerij word gemaakt. En dat niet toerijckende met hetgeene dat de moeders uijt het verkoopen van eenig goed, van de voornoemde gemeentens Boedeltjes mogen maaken, dan sal de kamer dat resterende of te kort komende inde moeders cas restitueren.”De bij overlijden nagelaten inboedels van de ondersteunde vrouwelijke lidmaten vervielen gewoonlijk aan de regentessen. Zij konden de spullen naar believen herverdelen of verkopen; de opbrengsten daarvan komen weer ten goede aan andere bedeelde gemeenteleden. Het Blokshofje is sinds 1968 niet meer als zodanig in gebruik. De Doopsgezinde Gemeente Haarlem verkocht het hofje in 1970.

Publicatiedatum: 08/06/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.