Verzet tegen de Fransen?

‘Gelijktijdig met de verdrukking, steeg de moed der verdrukten; die tegenstelling mag ons met regtmatige dankbaarheid vervullen: - in hetzelfde tijdstip, dat men den naam van Nederlander trachtte in vergetelheid te brengen, weêrklonk die naam, met onbevlekten roem, èn op den Oceaan, en op Europa’s bloedige slagvelden.’

In deze gezwollen woorden keek een geschiedkundig werk dertig jaar na dato terug op de Franse tijd en dan vooral de inlijving. De tekst schildert de Fransen af als bruten en de Nederlanders als vrijheidslievende helden, die allen opstaan tegen de vijand. In de eerste helft van de negentiende eeuw was het nationalisme in Europa sterker dan ooit eerder. Nu Napoleon bij Waterloo definitief verslagen was, hadden de nieuwe heersers er behoefte aan om hun volken trots te maken op eigen land. Ze gebruikten daarvoor allerlei middelen: vlagvertoon, standbeelden, volksliederen, nationale feestdagen enzovoort. Daarmee had het revolutionaire Frankrijk immers ook veel succes gehad.

De slag bij Waterloo, 18 juni 1815. Gezicht op het slagveld op het moment dat de Engelse bevelhebber Wellington hoort dat Pruisische hulp onderweg is. De gewonde Willem, prins van Oranje, wordt links op de voorgrond weggevoerd. Jan Willem Pieneman, 1824. Beeld: Rijksmuseum

In Nederland was het niet anders. In 1817 kregen wij voor het eerst een volkslied, niet het Wilhelmus, maar het gedragen Wien Neêrlands bloed in de aders vloeit, van vreemde smetten vrij. Overal werden standbeelden opgericht en werden heldhaftige gebeurtenissen geschilderd en in schoolboeken verwerkt. De nieuwe koning had er belang bij de Franse tijd zo ongunstig mogelijk te laten afschilderen. Het hielp hem dat de Fransen vreemdelingen waren geweest, die vooral oog hadden voor hun eigen belang. Nu hadden de Nederlanders het zelf weer voor het zeggen. Dat de koning intussen dankbaar gebruik maakte van de inzichten en verworvenheden van de Franse tijd, liet hij wijselijk in het midden. Dat niet hijzelf, maar de jongere broer van de tiran uit Frankrijk de eerste koning was geweest, evenzeer. En al helemaal dat die eerste koning het heel goed voor had met de Nederlanders en zelfs tamelijk populair was.

Portret van Lodewijk Napoleon, koning van Holland van 1806 tot 1810, door C.H. Hodges, 1809. Beeld: Rijksmuseum

‘Er werd gejuicht dat de vensterruiten ervan schudden’

Hoe impopulair waren de Fransen eigenlijk in de Franse tijd zelf? Was er sprake van verzet? Het verhaal gaat dat Napoleon na de inlijving minstens een jaar wachtte met zijn reis naar Nederland uit vrees voor een moordaanslag. Of dit waar is, is maar de vraag. Wel past dit verhaal natuurlijk goed in het gewenste beeld van een land in verzet.

Onvrede was er, zeker. Geregeld waren er oproeren tegen de dienstplicht en tegen de douaniers. De politiecommissaris in de beoogde marinebasis Den Helder liet weten dat “alle inwoners ons meer haten dan liefhebben”. Toch was er tijdens het bezoek van de Franse keizer geen noemenswaardig protest. Mogelijk lag dat aan het bevel vanuit Parijs aan gemeenten om strenge veiligheidsmaatregelen te nemen. Onder bruggen die de keizer passeerde mochten geen schepen liggen. Langs zijn route moesten alle losse voorwerpen, zoals bloempotten, worden verwijderd. Herbergen moesten onbekende gasten melden bij de politie.

Wel was er enig persoonlijk protest. De dichter Jan Helmers verliet demonstratief Amsterdam vanwege de komst van Napoleon. De voormalige bestuurder Anton Falck weigerde zijn Amsterdamse werkkamer te verlaten zolang de Franse keizer in de stad was. Falck had tot de inlijving gewerkt voor koning Lodewijk Napoleon en had na diens gedwongen aftreden zelf ontslag genomen.

Portret van Napoleon Bonparte. Beeld: Noord-Hollands Archief

Vooral het bezoek van de keizer aan Amsterdam was bedoeld om de mensen aan zich te binden. De stad werd uitgeroepen tot derde hoofdstad van Frankrijk (na Parijs en Rome). De Dam ging vanaf nu Place Napoléon heten. Wekenlang waren er voorstellingen, feesten en vuurwerk. De keizer zei tot zijn vertrouweling generaal Armand de Caulaincourt: “Ik wens de Hollanders innig aan mij te verbinden.” En hij had succes: ‘er werd gejuicht dat de vensterruiten ervan schudden, er werd feest gevierd, de bevolking verdrong zich overal om hem te zien, te begroeten en hem zelfs de hand te kussen. Amsterdam sloofde zich letterlijk uit om hem hulde te betuigen.’

Napoleon verwachtte zelfs dat op den duur alle Nederlanders Frans zouden spreken. Dat rare Nederlandse taaltje zou in de toekomst hooguit een streekdialect zijn. Toch was de keizer niet blind voor de werkelijkheid. Tegen dezelfde Caulaincourt sprak hij: “Een dwaas is hij die op de toejuichingen van het volk, op de straat, bouwt. De mensen raken zo graag in vervoering. Hun geestdrift is voor hem die ze handig weet op te vatten. Of denkt u soms, dat de pracht die ik op deze reis tentoonspreid, is voortgekomen uit kleingeestige ijdelheid? Nee, die pracht is voor mij een hulpmiddel. De verleiding gaat door de ogen naar het hart”.

Publicatiedatum: 29/09/2011