’t Nut: Verheffing van het volk

Voor de arme burgers was het in de achttiende eeuw duidelijk dat de Gouden Eeuw voorbij was. Grote gezinnen van soms wel tien of twaalf mensen leefden vaak samen in een ruimte waarin gekookt, gegeten, gewassen en geslapen moest worden. Hun huizen waren vochtig en donker met slechte ventilatie. Wie het geluk had werk te hebben maakte extreem lange dagen van tien tot vijftien uur van vaak zwaar en eentonig werk. En terwijl de gewone burger streed om te overleven, waren er mensen die leefden in grote weelde en rijkdom. Er werd meer verdiend dan in de Gouden eeuw. Het nationaal inkomen steeg, maar tegelijkertijd nam de werkeloosheid toe en werd de middenstand kleiner. Het geld, dat stroomde als water, ging regelrecht naar de gegoede burgerij. Het contrast tussen arm en rijk werd groter, maar de rijken bekommerden zich er weinig om. Armen hadden hun positie te danken aan hun eigen luiheid, vond de goedbedeelde bourgeoisie. Maar armenzorg ging de elite steeds meer kosten. Ook steeg de angst voor opstand. Het probleem negeren kon niet langer.

Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen

Eerste algemene vergadering van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen 1790 Izaak Jansz. de Wit, Jan Nieuwenhuyzen, 1790. Beeld: Rijksmuseum

Maatschappij tot Nut van 't AlgemeenMaatschappij tot Nut van ’t Algemeen

Jan Nieuwenhuyzen heeft een plan

Het was 1784 toen Jan Nieuwenhuyzen, een predikant uit Edam, een opvoedkundig boekje las over zedelijkheid. Jammer, dacht hij, dat dit vanwege de hoge prijs niet gelezen kon worden door ‘den gemeenen man’, oftewel gewone burgers. Zonder goede opvoeding, was hij van mening, “kunnen de kinderen geen braave menschen, geene waare Vaderlanders, geene deugdzame Christenen worden”. Er moest een genootschap worden opgericht om hier verandering in te brengen.

Hij ging meteen tot actie over en nog datzelfde jaar richtte hij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, kortweg ’t Nut, op. Al snel groeide het van oorsprong Edamse genootschap uit tot een maatschappij van aanzien met honderden departementen verspreid over alle Nederlandse provinciën. ’t Nut, dat tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat, richtte zich vooral op onderwijs. Er werden scholen gesticht, schoolboeken uitgegeven en er kwamen kweekscholen voor onderwijzers. Want: ‘men mag een kind of jonge mens nooit verwijten niet te deugen als men het niet in staat heeft gesteld te kunnen deugen.’ Maar ook voor de oprichting van bibliotheken en financiële instellingen zijn de initiatieven van ’t Nut van groot belang geweest in Nederland.

De Verlichting

Het idee dat alle mensen vrij en gelijk geboren zijn komt voort uit de Verlichting, een politieke en filosofische beweging die in de achttiende eeuw in bloei was. Volgens filosoof John Locke wordt ieder mens geboren als ‘Tabula Rasa’: een onbeschreven blad. Dit sprak de oprichters van ’t Nut aan. Ook op politiek gebied zette de Verlichting aan tot nieuwe ideeën. In hetzelfde jaar dat ’t Nut werd opgericht, kwam er een einde aan de vierde Engelse Oorlog. De oorlog had de Republiek zwak gemaakt en zorgde voor rampspoed door grote teruggang van de handel en het zakenleven. In deze maatschappelijke onrust ontstond een nieuwe politieke stroming: de Patriotten. De Patriotten waren ongelukkig met de traditionele heersende politiek van gevestigde machten die onderling baantjes verdeelden en stadhouder Willem V die absolutistische trekjes vertoonde. De Verlichtingsdenkers streefden naar vrijheid, gelijkheid en democratie en kwamen in opstand.

Veranderingen in de armenzorg

De vernieuwende ideologieën maakten dat er op een nieuwe manier over armenzorg werd gedacht. Armenzorg zou het probleem alleen maar groter maken. “De eerste oorzaak van armoede bestaat in den eigen boozen wil der armen. Dezen vindt men bij allen, die te lui zijn om te arbeiden, die hun geld versnoepen, of in de sterken drank verkwisten… Al deze mensen zijn de oorzaak van hunne eigene armoede”. De staatsmacht bemoeide zich niet met de zorg voor minder bedeelden. Het werd overgelaten aan de Kerk en een handjevol elitairen.

Het waren de Patriotten die vonden dat er iets moest veranderen aan de armenzorg. Er werd volgens hen te gemakkelijk bedeeld wat leidde tot meer armoede. Er werden nieuwe verenigingen gesticht die zich gingen richten op verheffing van het volk tot een hoger geestelijk en maatschappelijk niveau. De Verlichters geloofden dat met wetenschap het volk kon worden opgeheven uit hun zogenaamde staat van apathie, morele verwildering, afstomping en ongezond leven, tot ‘zedelijke nuttige burgers der samenleving’.

Jan Nieuwenhuyzen

Portret van Jan Nieuwenhuyzen, Adriaan de Lelie, 1780 – 1806. Beeld: Rijksmuseum

Jan NieuwenhuyzenJan Nieuwenhuyzen

Oprichting van een genootschap

Jan Nieuwenhuijzen was met de oprichting van ’t Nut een pionier in maatschappelijke betrokkenheid van de elite. Zijn ideeën werden verder uitgewerkt door zijn zoon Martinus, een net afgestudeerde arts. Jan had voorgesteld de kennis van het volk te verbeteren door verstrekking van opvoedkundige boekjes. Maar het was Martinus die zijn vader ervan overtuigde dat dit vooral via het onderwijs moest gebeuren: “De verbetering van het schoolwezen en de opvoeding der jeugd als de voornaamste grondslag zijnde ter vorming, verbetering en beschaving van den burger”. De enthousiaste Martinus broedde op een plan.

‘Het Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, onder de zinspreuk: Tot nut van ’t Algemeen,’ was de lange naam die de maatschappij aan zichzelf gaf. De stichtingsvergadering vond plaats op 16 november 1784 in de doopsgezinde pastorie van Edam. Daar presenteerde Martinus zijn plannen. Die avond werd duidelijk dat de oprichters op een revolutionaire manier dachten. Men sprak het geloof uit dat zelfs gewone arbeiders en handwerkslieden brave en deugdzame burgers konden zijn. Sterker nog, zij konden een voorbeeld zijn voor de bourgeoisie. De gewone burgers werden niet langer primair gezien als onwillige luie mensen, maar juist als mensen die in staat zijn tot leren.

Het volk sterk maken door nuttige kunsten

Wat stond er in de oprichtingsplannen? Verbetering van het onderwijs was aanvankelijk het laatste punt, maar zou later uitgroeien tot het belangrijkste punt van het statuut. Een ander hoofddoel was de ontwikkeling van onderontwikkelden en armen. Dit wilde men onder andere bereiken en het plan tot uitgeven van eenvoudige boeken voor minder ontwikkelden. Van de leden werd verwacht, zo stond geschreven, dat zij met hun eigen ontwikkeling en geld welwillend waren om anderen te helpen.

Het was een schandelijk vooroordeel dat de gewone mens maar werken moest en verder niets hoefde te weten. Dat zei medebestuurder J.J. le Sage ten Broek tijdens de eerste bijeenkomst van het departement in Rotterdam. Hij wilde ‘een gemeen’ (daarmee bedoelde hij de onderklasse) dat beschaafd is door het bezit van nuttige kunsten, wetenschap, zedenkunde en godsdienstige beginselen, waardoor het volk sterk zou zijn. Volgens hem was de filantropie van ’t Nut “oprechte mensenliefde die praktisch werkzaam wil zijn en die welbewust of onbewust bijdroeg tot veranderingen in sociale orde.”

Angst voor het volk

Het lijkt alsof het Verlichte denken van deze periode puur ontstaan was uit naastenliefde en nobelheid. Maar men moet niet vergeten dat angst een grote rol speelde bij de oprichting van maatschappelijke zorg. Angst voor de massa’s die zich konden verenigen en in opstand kwamen was weid verspreid. Armenzorg kon de mensen in bedwang houden. Behalve voorkoming van oproer vond de burgerij het ook belangrijk om armen ervan te weerhouden andere voor de elite ongewenste dingen te doen. Prostitutie, diefstal, kinderen verlaten, bedelarij, allemaal dingen die volgens de burgerij onwenselijk waren.

Het was een gouden vondst, zo bleek. Nieuwenhuyzen had gehoor gegeven aan de zorg van vele leden van de burgerij. In het eerste jaar na oprichting waren er al vijf nutsdepartementen in de Nederlanden. Onder andere in Amsterdam en Rotterdam. Vijf jaar later waren er in totaal zestien departementen en meer dan duizend leden en het groeide gestaag door. In 1810 bereikte het meer dan honderd departementen, en lange tijd waren er zelfs meer dan driehonderd.

Martinus Nieuwenhuyzen

Portret van Martinus Nieuwenhuyzen, Theodorus de Roode, Adriaan Pietersz. Loosjes, 1793. Beeld: Rijksmuseum

Martinus NieuwenhuyzenMartinus Nieuwenhuyzen

De Patriotten grijpen de macht

Het politieke klimaat was gunstig voor de ontwikkeling van het Nut. Het gerommel in de politiek zette voort. In Frankrijk was in 1789 de Revolutie uitgebroken. De Fransen, overtuigd van hun superioriteit, staken in de winter van 1794-1795 de bevroren rivieren over om de Patriotten bij te staan. Ze slaagden in een staatsgreep en in 1795 werd de Republiek der Verenigde Nederlanden omgedoopt tot de Bataafse Republiek. Toen de Patriotten door de Bataafse Revolutie aan de macht kwamen werd er eindelijk vanuit de overheid gedacht aan armenzorg. Dit kwam ’t Nut ten goede. De Patriottistische idealen van de Bataafse Republiek sloten naadloos aan bij de wensen van ’t Nut.

Verbeteringen van het onderwijs

Het eerste wat ’t Nut wilde aanpakken was de beroerde situatie op scholen. Het onderwijs was er op dat moment nog slecht aan toe. Scholen waren gehuisvest in donkere en slecht geïsoleerde ruimtes. De onderwijzers waren gebrekkig opgeleid. Het waren vaak kosters of oud-militairen. Kwalificaties werden niet geëist. Wie een orgel kon bespelen, een klok kon luiden of een graf kon graven werd capabel geacht als onderwijzer. De kinderen kregen primitieve straffen, zoals slaag met de roede. ’t Nut wilde hard aan de slag om deze problemen op te lossen en dankzij de oprichting van de nieuwe Republiek werd het nog gemakkelijker.

De eerste initiatieven van ’t Nut waren de zogenoemde Nutskweekscholen om onderwijzers op te leiden. De eerste werden opgericht in 1795. Het jaar daarop volgde ook Nuts-lagere scholen en vijf jaar later waren er al zeker twaalf in de Republiek. Naarmate het aantal departementen toenam, groeide ook het aantal nutsinstellingen. Inmiddels zijn ‘nutsinstelling’, ‘nutslezing’ en ‘nutsvoorziening’ allemaal woorden die door de Dikke Van Dale zijn opgenomen in de Nederlandse taal. Want het was niet alleen jeugdonderwijs waar het Nut zich op richtte. Nutslezingen werden georganiseerd voor het volk. Ook werden er spaarbanken en verzekeringen opgericht. En de eerste niet-commerciële instelling voor het uitlenen van boeken van heel Europa – en dus waarschijnlijk in de wereld, stond vanaf 1791 in Haarlem, dankzij het Nut.

Niet zo open als het lijkt, wel grote veranderingen

Hoewel ’t Nut erom bekend staat een open genootschap te zijn die iedereen toeliet, is dit toch met een korreltje zout te nemen. Wegens de jaarlijkse contributie die betaald moest worden, kon alleen de gegoede burger met een gevulde portemonnee zich aan kon sluiten. Maar nog gevoeliger was het feit dat joden niet werden toegelaten. In 1808 werd er openlijk bekritiseerd of de uitsluiting van joden niet tegen de wet was, ze waren immers volwaardig staatsburgers. Zelfs Koning Lodewijk van Holland bemoeide zich ermee en riep ’t Nut op het matje. Maar het antwoord luidde dat de Maatschappij was gegrondvest op christelijke beginselen en toelating van een ander geloof bracht de eenheid in gevaar. Het zou een lang voortslepende kwestie worden die tot 1864 duurde.

Ondanks een grote maatschappelijke betrokkenheid van de Maatschappij ontstond er nooit persoonlijk contact tussen de nutsleden en de ‘pauperklasse’. Maar een directe band opbouwen was ook nooit hun streven. De nutsleden waren mensen van de burgerij, het was voor hen nog niet gebruikelijk om in direct contact te komen met de onderlaag van de bevolking. Dit heeft echter nooit in de weg gestaan voor een vruchtbare maatschappij die veel heeft betekent voor de ontwikkeling van zorg voor de minder bedeelden. Onderwijs, openbare bibliotheken en financiële instellingen zijn tot stand gekomen dankzij het initiatief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, in 1784 te Edam.

Auteur: Judith Konijn

Publicatiedatum: 06/01/2011