Het rode vaandel volgden zij

“Het volk is ontwaakt. De strijd kan beginnen!” Dit zijn woorden van Klaas Ris, arbeider in Amsterdam, oproerkraaier en socialist vóór men van socialisme sprak. Hij heeft gestreden voor een beter bestaan voor de werklieden, die aan het einde van de 19e eeuw onder erbarmelijke omstandigheden moesten werken en leven.

Vakverenigingen en socialisme

Het was hard werken voor een schamel loon waarmee je een gezin nauwelijks kon onderhouden. De behuizing was slecht, het voedsel eveneens. Industrialisatie is een zegen geweest voor de economie van het land, zo zegt men. Zonder die industrialisatie zou Nederland achter zijn gebleven en de welvaart niet hebben kunnen stijgen. Maar de mensen die in de industrie werkten, merkten er weinig van. Welvaart zag men van een afstand, niet in eigen huis.
 
Maar de arbeiders lieten dat niet zomaar gebeuren. De toestand moest verbeteren. Er stonden arbeiders op die de zaak van hun medemensen naar voren brachten. En ook uit de bourgeoisie kwam er hulp. Vakverenigingen schoten uit de grond, een socialistische partij werd opgericht.
Amsterdam bleek al snel een goede voedingsbodem voor het socialisme. Klaas Ris, de nestor van de Nederlandse socialistische beweging, wist velen te boeien met zijn humorvolle toespraken. Mensen wist hij aan te steken met zijn ludieke en provocerende optreden. Teksten van zijn toespraken zijn bewaard gebleven, de resultaten van de strijd kunnen we nagaan.
 
Maar hoe was het op een zondagmiddag in een stampvol zaaltje in het Amsterdamse Dalrust, met vooraan een man die geestdriftig vertelde dat het zo niet langer kon en dat het moest en zou veranderen? Wat zei men tegen elkaar bij het horen van het verhaal van deze molenaarsknecht? Geloofden de mensen echt dat het zou veranderen, dat hun strijd niet onmogelijk was, ondanks de vele tegenslagen? Ik zou graag aansluiten bij de honderden toehoorders en de mannen willen horen spreken die hun stem durfden te verheffen en hun vuist durfden te ballen in een tijd dat de arbeider zich gedeisd diende te houden.

Klaas Ris

Klaas Ris is geboren in Westzaan als één van de negentien kinderen van een visser. Als tienjarige begint hij te werken op een papiermolen voor een dubbeltje per 12-urige werkdag. Na de dood van de eigenaar van de molen scharrelt Klaas hier en daar zijn kostje bijeen totdat hij oud genoeg is om in militaire dienst te gaan. In 1846 zwaait hij af en trekt hij naar Amsterdam om uiteindelijk werk te vinden bij een houtzaagmolen. Om zichzelf en zijn gezin (hij trouwt in 1847) beter te kunnen onderhouden, verdient hij wat bij als ‘pijpvoerder’ bij de vrijwillige brandweer. De pijpvoerders zijn de mannen die de brandspuit aan het uiteinde vasthouden en op de brand richten, vaak met vier man tegelijk vanwege de kracht van het water. Juist dit laatste baantje zal er voor zorgen dat Klaas Ris weldra van onopvallende arbeider verandert in geruchtmakend Amsterdammer.

Klaas Ris.

Klaas Ris.Klaas Ris.

Schrijver

Volgens Ris gaat het er bij de brandweer niet eerlijk aan toe. De brandmeesters verdienen naar zijn mening naar verhouding veel te veel ten opzichte van de gewone spuitgasten. Nadat hem naar eigen berekening 33 gulden en 30,5 centen aan bluspremie onthouden is, debuteert hij als schrijver. Dat een werkman schrijft is in die tijd al zeer ongebruikelijk, maar de toon die Klaas Ris durft aan te slaan in zijn stuk ‘Een man een man! Wat is een brandmeester anders dan een sjouwerman?’ is zeker ongehoord! Hij voelt zich absoluut niet gehinderd door zijn bescheiden afkomst of zijn geringe schoolopleiding en noemt de bevelvoerende brandmeesters nutteloze figuren. Volgens hem zijn ze voor de gewone brandweerlieden vooral een sta-in-de-weg en strijken ze hun premies op zonder zelf ook maar enig risico te lopen. Aan het eind van zijn stuk gooit hij alle dan geldende waarden compleet overhoop. Hij stelt namelijk, dat “een Brandmeester verre beneden een spuitgast behoort geplaatst te worden, ja zelfs geplaatst dient te worden beneden een arme sjouwerman die met een kaartje bedeeld wordt.”
 
Zijn meerderen bij de brandweer zullen woedend zijn geweest over deze brochure. Jarenlang blijft Ris zijn strijd voor het recht van de spuitgasten, en in het bijzonder dat van spuitgast Klaas Ris, hardnekkig volhouden. Om het geld alleen gaat het op een gegeven moment allang niet meer, maar door zijn aanhoudende open brieven in de krant, adressen aan de gemeenteraad, brieven aan minister-president Thorbecke en zelfs aan koning Willem III wordt hij een bekend figuur in Amsterdam. Voor Klaas Ris is er op dat moment veel meer in het geding dan zijn eigen persoonlijke grieven. Naar eigen zeggen is hij door zijn optreden verwikkeld geraakt in een gevecht tegen ‘de binnenlandse slavernij’ en in die strijd zijn naar zijn mening alle middelen geoorloofd. Hier is heel wat lef voor nodig in een tijd dat het voor arbeiders verboden is om te protesteren.

De Gemengde Vereeniging

In de brandweerkwestie is er nog geen sprake van socialisme, maar hoe langer Klaas Ris met zijn strijd doorgaat, hoe meer mensen zich om hem heen verzamelen die recht voor de arbeider willen en die net als hij durven om van hun hart geen moordkuil te maken. Binnen deze opkomende socialistische beweging heeft Klaas Ris vooral een pioniersrol. Als brochureschrijver, maar zeker ook als spreker op openbare vergaderingen. Vanaf 1871 houdt de vakvereniging ‘De Gemengde Vereeniging’ tweewekelijkse bijeenkomsten in zaal Dalrust. Onbetwiste hoofdrolspeler is Klaas Ris. Iedere keer weer weet hij op deze volksvergaderingen een publiek van zo’n 400 man te trekken. De amusementswaarde van zijn optredens is hoog, hij beoefent geen socialistische retoriek van grote woorden, maar spreekt de arbeiders aan door zijn praktische voorbeelden. Hij is één van hen, hij weet waar zij mee worstelen en hij weet hen ervan te overtuigen dat ze beter verdienen. Armoede en gebrek zijn geen schande meer, maar een toestand waaraan een recht ontleend kan worden om eisen te stellen:
 
“Ben ik toch geen Nederlander? Heb ik geen recht om te leven, welnu, maak mij dan af als een ziek stuk vee. Doet men dat niet, dan moet men mij de middelen geven om te kunnen leven.”
 
Bedenk wel dat het in die tijd verboden is voor arbeiders om zich te verenigen in vakverenigingen of hun stem te verheffen! Vooral de voormannen, zoals Klaas Ris, nemen een groot risico door zich zo actief en luidruchtig op te stellen. Van ontslagbescherming heeft nog niemand gehoord en Klaas Ris wordt dan ook in 1876 op straat gezet omdat hij op de bres springt voor de arbeiders.

Populair

De populariteit van Ris onder de Amsterdamse werklieden is groot en wordt des te duidelijker als je kijkt naar de opkomst in Dalrust voor een bezoek van de grote inspirator voor socialisten over de hele wereld: Karl Marx trok daar duidelijk minder bezoekers dan Klaas Ris. De mensen die iedere zondagmiddag naar Dalrust komen, hebben geen wetenschappelijke abstracte teksten nodig om een socialistische overtuiging te vormen: de dagelijkse ervaringen van hun eigen werkmansbestaan, de rijkdom aan de Amsterdamse grachten die daar lijnrecht tegenover staat en de wil tot “de bevordering en de bloei van ons huisgezin” zijn genoeg. Een medestrijder van Ris verwoordt de algemene geest treffend in zijn opmerking over ‘Het Kapitaal’ van Marx:
 
“Onbegrijpelijk dat die man het noodig heeft geacht zoo’n dik boek van 800 bladzijden te schrijven om te bewijzen dat de meerwaarde van den arbeider opgeslokt wordt door een ander en niet in zijn eigen zak terecht komt, dat heb ik mijn heele leven bij ervaring geweten”.
 
De bijeenkomsten in Dalrust lijken voor de buitenstaander vaak chaotisch. Politiespionnen en ‘burgerlijke’ journalisten vinden het maar een zootje en kunnen er vaak geen touw aan vastknopen, getuige een verslag van inspecteur Hazenberg:
 
“Er werden vervolgens allerlei flauwe aardigheden gedebiteerd, geheel afwijkende van de te behandelen zaak.”
 
Ondanks, of misschien juist wel vanwege, het chaotische karakter zijn de bijeenkomsten in Dalrust nu juist de vergaderingen waar ik graag eens bij had willen zijn om Klaas Ris te horen spreken. Veel van wat we nu als vanzelfsprekend ervaren, moet op dat moment nog worden bevochten. En in Dalrust is er sprake van revolutionair spektakel! Met name Klaas Ris schrikt er niet voor terug om ferme taal te gebruiken. Bijvoorbeeld die keer in 1872 als hij zijn publiek toevertrouwt dat hij, als hij zou kunnen bidden, zou bidden om genoeg geld voor de aanschaf van 100.000 achterlaadgeweren. Deze zijn dan bestemd voor een korps dat ‘de rechtvaardigheid’ moet handhaven en daarbij niet zachtzinnig moet optreden:
 
“Zij die een arbeider zijn loon onthouden moeten terecht staan en bij volharding ter dood worden gebracht, want ze zijn gevaarlijker dan de cholera”.

Slechts woorden

Toch blijft het slechts bij woorden. Echt revolutionair geweld ziet men niet als de oplossing voor de sociale kwestie. De sprekers hebben het over het belang van vakverenigingen, van organisatie onder de arbeiders. Nogmaals: iets wat dan nog altijd verboden is! En ze pleiten voor algemeen kiesrecht, de opheffing van het recht op eigendom of voor een hogere exportbelasting om het vlees meer betaalbaar te maken voor de arbeiders. De mannen die in Dalrust spreken, willen dat de gemeente betere, goedkopere arbeiderswoningen gaat bouwen en dat kazernes omgevormd worden tot ‘leerscholen voor onderwijs, handel en nijverheid’. Kortom, allerlei zaken waar we nu niet meer zo van opkijken, maar die toen voor de gewone man nog ver weg waren.

Oprichting van de Sociaal-Democratische Bond

Mede dankzij het publieke rumoer dat Klaas Ris heeft weten te veroorzaken, wordt rond 1880 de Sociaal-Democratische Bond opgericht, een eerste echte politieke vereniging van arbeiders en voorloper van de SDAP. Nieuwe, jonge mensen staan op om de strijd op zich te nemen. In het krantje ‘De Werkmansbode’ beginnen artikelen te verschijnen van ‘een zekere Nieuwenhuis’. Dit blijkt een lutherse predikant te zijn: Ferdinand Domela Nieuwenhuis uit Friesland. Deze dominee is meer en meer begaan met het lot van de arbeiders en hij zal later uitgroeien tot één van de iconen van de Nederlandse arbeidersbeweging. Arbeiders gaan in hem hun ‘verlosser’ zien en hij zal de bijnaam krijgen de ‘apostel van de arbeiders’ te zijn. Maar zover is het nog niet. Op dat moment, in 1880, is hij voor de veteranen in de Amsterdamse arbeidersstrijd nog slechts een nieuwkomer. Maar dan wel een nieuwkomer die met open armen wordt ontvangen. Zijn stukken worden met warme belangstelling gevolgd: voor het eerst in hun lange strijd weten de arbeiders zich gesteund door een onderlegd en aanzienlijk man uit de burgerij!

Petroleumkarretje

Ondanks deze nieuwkomers en een andere, meer partijpolitieke wending die de strijd gaat krijgen, wordt de inzet van Klaas Ris voor een beter bestaan van de werkman nooit minder, al is het meer op de achtergrond. In 1876 is hij ontslagen vanwege zijn politieke acties. Zijn kameraden hebben hem toen een petroleumkarretje en een ezel geschonken, zodat hij met de verkoop van petroleum langs de deuren toch in zijn levensonderhoud kan blijven voorzien. In deze rol komt hij veel bij mensen thuis en kan hij naar eigen zeggen “beter dan vroeger zien wat de toestand is onder het werkvolk”. Deze kennis van wat er onder het volk leeft, wil hij maar wat graag meedelen aan de enquêtecommissie die in 1886 onderzoek doet naar de omstandigheden waarin het volk moet leven en werken.

Inzet tot aan de dood

Tot aan zijn dood in 1902 blijft Klaas Ris zich inzetten voor een beter arbeidersbestaan. De Amsterdamse socialisten waren hem zeer dankbaar voor zijn toewijding. Na zijn overlijden zamelen ze genoeg geld bijeen om een monumentaal graf te kunnen oprichten voor de man die door zijn ludieke en gloedvolle optreden ervoor gezorgd heeft dat de toestand van de arbeiders hoog op de politieke agenda kwam te staan. De PvdA bouwt als opvolger van de SDAP voort op de strijd van Klaas Ris en betaalt daarom nog steeds zijn grafrechten, maar bijna niemand weet meer wie hij was. De graftekst “Zijn geest leve voort” lijkt een vergeefse bede te zijn. Maar wat zou ik graag de geestdrift van deze molenaarsknecht uit Westzaan hebben willen zien, horen en voelen, op een zondagmiddag in een stampvol zaaltje in Dalrust.
 
Auteur: Kathelijne Jongeling.

Publicatiedatum: 06/01/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.