Streven naar een Hollands Arcadië

Dertien jaar lang, van 1777 tot 1790, hielden Johann Goll van Franckenstein en zijn zoon bij wat er groeide en bloeide in de tuinen van hun landgoed Velserbeek te Velsen. Niet alleen de flora had een plaats in het schriftje, ook de fauna kwam aan bod. Daarnaast beschreven deze heren de weersomstandigheden op hun landgoed, tot de temperatuur aan toe.

Het onderstaande is afkomstig uit een schriftje uit het einde van de 18e eeuw, dat werd bijgehouden door twee mannen die een passie deelden: de tuin.

‘A 1785 Den 8 February de eerste Jonge Snijbonen, en de eerste bloemkool, Den 12 dito een Rozeboompje Den 3 April 22 Aardbeye Den 10 April de eerste Comcommers Den 15 dito de eerste Druiven Den 16 heeft men de Nagtegaal op Velzerbeek het eerst horen Zingen’.

Buitenplaats Velzerbeek

Buitenplaats Velserbeek. Beeld: Provinciale Atlas Noord-Holland

Bankiersfamilie

De passie voor de tuin en de natuur was vooral bij Johann Goll senior zeer goed te merken. Hij was omstreeks 1740 als jongste telg van een steenrijke bankiersfamilie uit Frankfurt am Main naar Amsterdam vertrokken om zich hier te vestigen. Amsterdam was om verschillende redenen aantrekkelijk voor een jonge bankier, maar vooral de lage rente was een drijfveer om hier zaken te doen. Al snel deed Johann Goll sr. zijn familienaam eer aan en werd een succesvol bankier met een huis op de Herengracht en een eigen bankiershuis.

In de bovenste regionen van de maatschappij, waar Johann nu toe behoorde, was het belangrijk om je status hoog te houden. In twee kenmerkende activiteiten die hierbij hoorden, het verzamelen van kunst en het kopen van een landgoed buiten de stad, is de hierboven genoemde passie van Johann Goll sr. terug te zien. Bij het verzamelen van kunst hadden rijke lieden allemaal hun eigen voorkeuren, maar Johann koos ervoor om een uitgebreide collectie tekeningen van Hollandse meesters te verzamelen, met als onderwerp landschappen.

Twee miniaturen door D. Bruijninx (1724-1787): J.E. Goll van Franckenstein (1722-1785), eigenaar van de buitenplaats Velserbeek en zijn echtgenote Maria Wilkens (1720-1777). Beeld: Noord-Hollands Archief

Tuin op de schop

Daarnaast bemoeide Johann Goll sr., die in 1781 zijn buitenplaats Velserbeek kocht, zich al geruime tijd met de tuin van het landgoed toen het nog aan zijn dochter Amelia en haar man toebehoorde. Ook uitte zijn liefde voor de natuur zich in zijn eigen werken. Johann was een begaafd tekenaar en tekende vooral – jawel – landschappen. Hoeveel Johann Goll sr. en zijn zoon voor hun tuinen over hadden is te zien aan het besluit om de tuinen een nieuw aanzien te geven. Deze operatie, die rond 1775 moet zijn begonnen, heeft jaren geduurd en veel geld gekost. Het doel was om de tuin met de strenge ‘Le Notre’-stijl te veranderen in een landschapstuin. De landschapstuin was destijds vrij uniek in Nederland, dus had de familie Goll nauwelijks voorbeelden om na te volgen. Wat bewoog hen om hun geliefde tuinen geheel af te breken en opnieuw op te bouwen?

Gezicht op de barokke waterkom (vijver) en het kabinet in de tuin van Velserbeek, met tuinbanken in Marotstijl, ca. 1745. Beeld: Noord-Hollands Archief

Le Notre-stijl

Toen de buitenplaats Velserbeek in 1769 in het bezit kwam van de familie Goll, zoals gezegd eerst in handen van Amelia Maria Goll, was de tuin al jaren in de ‘Le Notre’-stijl. Ze was zo aangelegd door Hendrick Tersmitten in het begin van de 18e eeuw. Hoe de stijl er ongeveer uitzag is te zien op de plattegrond in het boek ‘Zegepralent Kennemerland’ uit 1729. Rondlopend op hun landgoed aanschouwde de familie Goll een typisch Franse tuin, met rechte lijnen, buxushagen en waterpartijen.

De ‘Le Notre’-stijl was rond het begin van de 18e eeuw overgewaaid uit Frankrijk, waar André le Notre al rond de jaren ’70 en ’80 van de 17e eeuw zijn ideaal voor de tuin had geperfectioneerd. Volgens hem moest een tuin een centraal punt hebben, met daaromheen lanen in een streng rechthoekig patroon. Daarbij waren er ook speelse elementen, zoals waterwerken, beelden, parterres en kleine groepjes bomen. Le Notre hechtte veel belang aan zichtlijnen, waarbij men bijvoorbeeld door een laan uitkeek op een standbeeld.

Plattegrond van de ‘Le-Notre’ tuinen van Velserbeek, 1729.

Plattegrond van de ‘Le-Notre’ tuinen van Velserbeek, 1729.

Aangename zomermaanden

Over zichtlijnen beschikte landgoed Velserbeek zeker. Zo kon men vanaf de ingang tussen de rijen bomen door het woonhuis zien en was vanuit allerlei hoeken van de tuin de waterpartij in het midden zichtbaar. Het moet voor de familie Goll buitengewoon aangenaam zijn geweest om in de zomermaanden op het landgoed te vertoeven. Lopend tussen de hoge heggen, die schaduw en verkoeling boden, of zittend bij de centrale vijver om een boek te lezen of een praatje te maken. Het is niet onwaarschijnlijk dat er geregeld gasten mee werden genomen naar de tuin, om te praten over handel en zaken of om de rijkdom van de heer des huizes te laten zien.

Was het gras groener aan de overkant?

Het was misschien wel onder invloed van deze gasten dat Johann Goll sr. het besluit nam om zijn tuin drastisch te veranderen. Wandelend in de omgeving, of wellicht op een verjaardagsfeest, zal Johann Goll sr. wel eens gesproken hebben met de eigenaar van het nabijgelegen landgoed Beeckestijn, die al in 1772 een landschappelijke tuin aan had laten leggen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Johann Goll sr. de buitenplaats zelfs heeft bezocht. Dat hij er in ieder geval in de buurt is geweest is met zekerheid te zeggen, aangezien hij een tekening heeft gemaakt van de Heereweg, met daarop te zien de buitenmuren van landgoed Beeckestijn. Uit bewondering, of uit jaloezie, kan Johann Goll sr. hier de keuze hebben gemaakt om net als zijn buurman zijn tuinen aan te passen.

Plattegrond van de tuinen van Beeckestijn. Getekend door J.G. Michael, architect. In koper gegraveerd door Casp. Ph. Jacobse, 1772. Beeld: Noord-Hollands Archief

Banden met Oostenrijk

In de tuinen van Velserbeek kwamen naast binnenlandse gasten ook regelmatig buitenlandse gasten. De meeste buitenlandse gasten moeten Duitstalige mensen zijn geweest. Dit komt door de Duitse afkomst van de familie Goll, maar ook door de innige zakenrelatie die bestond met Oostenrijk. Al vanaf 1757 deed het handelshuis van Johann Goll sr. zaken met het Oostenrijkse hof, waaraan Johann zijn adellijke titel van baron te danken had en daarbij ‘van Franckenstein’ aan zijn naam mocht toevoegen. De Oostenrijkse keizerin Maria Theresia nodigde in 1770 Johann Goll sr. zelfs uit om bij haar op bezoek te komen.

Inspirerende reis?

Samen met zijn zoon vertrok Johann naar Oostenrijk en zij bezochten onderweg allerlei paleis- en residentietuinen. Hier zagen ze een nieuwe ontwikkeling op het gebied van tuininrichting, namelijk de landschapstuin. Het idee van de landschapstuin was afkomstig uit Engeland, maar had al snel voet aan de grond gekregen in Duitsland. De landschapstuin was gebaseerd op het landschap van het klassieke Arcadië, waar wij nog steeds ons huidige begrip ‘arcadisch’ aan ontlenen. Hoe zo’n gebied eruit ziet is te zien in de schilderijen van Claude Lorrain en Gaspard Poussin. Hierin speelt het glooiend idyllisch landschap de hoofdrol, met als bijrollen enkele herders of wandelaars en ook vaak een klein gebouwtje, liefst klassiek, wat zich ergens in de achtergrond bevindt. Aangezien Johann Goll van Franckenstein en zijn zoon kunstverzamelaars waren en via deze weg in contact kwamen met veel andere verzamelaars, moeten zij zeker het werk van Lorrain en Poussin gekend hebben. Misschien deden zij via deze weg het idee op om hun tuinen aan te passen.

Geitenhoeder (Le Chevrier), Claude Lorrain, 1663. Beeld: Rijksmuseum

Naast de onderweg bezochte tuinen ontsnapten ook oudere bouwwerken die op reis te zien waren niet aan de aandacht van vader en zoon. Zij bezichtigden bijvoorbeeld ruïnes, oude kastelen en zelfs Romeinse bruggen. Ook dit is terug te zien in de landschapstuin van Velserbeek, waar Johan Goll jr. met zogenaamde ‘follies’ de sfeer en het schilderachtige van de gebouwtjes in het landschap probeerde na te bootsen. Een folly is een gebouwtje in een tuin wat niet echt een functie heeft, maar er puur staat voor de sier. Deze follies zijn veelvuldig terug te vinden in de landschapstuinen van Velserbeek. Zo bouwde Johan Goll jr. een ‘Chineesche Tent’, een ‘Zwitsersche brug’, een ‘Gotische burgt’ en een kluizenaarshuisje.

Gezicht op de gotische folly op de buitenplaats Velserbeek. Numan, Hermanus (1744-1820). Beeld: Noord-Hollands Archief

In of bij één van deze bouwwerkjes, in het landhuis of in de tuinen van Velserbeek zullen Johann Goll senior en junior, zoals het heren van hun stand betaamt, boeken hebben gelezen. Het hoorde immers bij het bestaan van een rijke regent om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen op bijvoorbeeld politiek en cultureel gebied, zodat hierover een gesprek op niveau kon worden gevoerd met collega-regenten. Misschien hebben de Golls door boeken te lezen de veranderende visie op tuininrichting en de natuur ontdekt.

Natuur: in bedwang houden of loslaten?

In boeken uit de eerste helft van de achttiende eeuw werd de natuur nog gezien als een buiten de mensenwereld liggende, chaotische massa, die in bedwang gehouden moest worden. Dit deed men door het classicisme, waaronder ook de ‘Le Notre’-stijl te vangen is, toe te passen op de tuin. Met dit systeem bracht men orde in de chaos en kon men de woeste natuur in toom houden. Dit is terug te lezen in een boek van Jan van der Groen uit 1721, waarin hij meent dat ‘kunst natuur door orde en wetten bij hare schoonheid een luister weet bij te zetten.’

Het is dus niet alleen zo dat de mens de tuin systematisch naar zijn hand moest zetten om haar in toom te houden, maar ook om bij te dragen aan haar schoonheid. Hierbij is de natuur in zoverre ondergeschikt dat ‘men somtijts bergen en heuvelen wech [kruyt], laegten en dalen verhoogt men, men maekt water tot landt, en landt tot water’.

In de tweede helft van de 18e eeuw begint dit concept te veranderen en komt vanuit Engeland het idee dat de natuur zich niet moet aanpassen aan de mens, maar de mens zich moet aanpassen aan de natuur. Ook deze visie is in veel literatuur verwoord, onder andere door Horace Walpole. Door het lezen van onder andere deze Engelse literatuur kan de visie van Johann Goll sr. over hoe zijn tuin eruit moest zien zijn veranderd.

De oprijlaan van een buiten, Johann Goll van Franckenstein, ca. 1732 – ca. 1785. Beeld: Rijksmuseum

Nalatenschap

Op welke manier Johann Goll sr. uiteindelijk op het idee is gekomen om zijn tuin te veranderen zullen we nooit weten. Het feit blijft echter dat hij als één van de eersten in Nederland begon met de aanleg van een landschapstuin. Helaas was het Johann Goll van Franckenstein sr. niet gegund om nog rond te lopen in de tuin die hem voor ogen stond. Hij overleed in 1785 op 63-jarige leeftijd, met zijn geliefde tuin slechts gedeeltelijk voltooid. Gelukkig had hij enkele jaren voor zijn dood, toen zijn gezondheid te wensen overliet, Velserbeek verkocht aan zijn zoon Johan. Die zette zijn vaders passie voort. Nog in hetzelfde jaar kocht hij stukken grond om een verdere uitbreiding van de tuin te kunnen realiseren. Hij creëerde heuvels, slingerende beekjes, onregelmatige paadjes, doorkijkjes en uitzichtpunten, alles voor een ideale beleving van de natuur.

Trots als hij was op zijn eindelijk voltooide landschapstuin gaf Johan Goll van Franckenstein jr. in 1793 Hermanus Numan de opdracht om zijn geliefde tuinen vast te leggen in een serie van vijftien tekeningen, om aan te tonen dat het resultaat van een jarenlang project van vader en zoon zeker de moeite waard was geweest. Niettemin had Johann Goll junior vast niet verwacht dat ruim tweehonderd jaar later de tekeningen nog steeds bestudeerd en bewonderd zouden worden.

Velserbeek, 1980. Beeld: Noord-Hollands Archief

Tekst: Karin Smokers

Gebruikte literatuur:

Jong, E. de, “De jongste zuster der schoone kunsten” in: Werkgroep Achttiende Eeuw, Nederlandse Tuinen in de achttiende eeuw (Apeldoorn 1985).

Polak, J.H., J. Peters, Is getekend, J. Goll van Franckenstein, tekeningen van een 18de-eeuwse heer (Velsen-Zuid 1997).

Reh, W., Arcadia en Metropolis, Het landschapsexperiment van de Verlichting (Delft 1995).

Sellers-Bezemer, V., ‘The formal garden of the estate Clingendael 1680-1830’ in: Werkgroep Achttiende Eeuw, Nederlandse Tuinen in de achttiende eeuw (Apeldoorn 1985).

Publicatiedatum: 28/03/2012