Oude Turfmarkt 127: hier zetelt de ‘Hoeder van de Gulden’.

Het voorname pand op Oude Turfmarkt 127 werd in 1865 gebouwd voor de Nederlandse Bank. Het nieuwe kantoorgebouw verving drie bestaande grachtenpanden op dezelfde locatie waarin de bank vanaf de oprichting in 1814 was gevestigd. Koning Willem I wachtte na het vertrek van de Fransen een zware taak om de ernstig verzwakte Nederlandse economie uit het slop te trekken. Zijn beleid richtte zich op het stimuleren van de handel en het verschaffen van werk voor het berooide volk. De oprichting van een nationale bank speelde hierbij een cruciale rol. In 1967 verliet de Nederlandse Bank het gebouw van waaruit de eerste bankbiljetten van ons land waren verspreid. Het verhuisde naar een gloednieuwe kantoortoren op het Frederiksplein. Sinds 1976 is het Allard Pierson museum van de Universiteit van Amsterdam gehuisvest op de Oude Turfmarkt 127. 

Amsterdamse Wisselbank

Amsterdam kende een lange traditie als het om het geldwezen en kredietverlening ging. Aan het begin van de 17de eeuw richtte het stadsbestuur de ‘Wisselbank’ op, de eerste in zijn soort. Destijds waren er honderden verschillende munten in omloop. Om orde in de chaos te scheppen, bepaalde De Wisselbank de waarde van deze munten. Ook kon men er rekeningen openen waarmee betalingen naar andere buitenlandse wisselkantoren mogelijk werd. De Wisselbank was erg belangrijk voor de internationale handel en maakte van Amsterdam het financiële centrum van de Republiek. Het functioneerde destijds als een soort centrale bank en daarmee als voorloper van de Nederlandse Bank.

Verbouwing van de voormalige Nederlandsche Bank tot Allard Piersonmuseum (1975)

Beeld: Stadsarchief Amsterdam. Link:http://beeldbank.amsterdam.nl/afbeelding/010003028668

Verbouwing van de voormalige Nederlandsche Bank tot Allard Piersonmuseum (1975)Verbouwing van de voormalige Nederlandsche Bank tot Allard Piersonmuseum (1975)

Circulatiebank

Een van de eerste dingen die Koning Willem I deed, was het oprichten van de Nederlandse Bank (DNB). Hoewel de nieuwe bank geen monopolie had op het uitgeven van bankbiljetten – andere banken mochten dat ook – bleek dit in de praktijk wel het geval. DNB werd zo een nationale circulatiebank – een bank die geld in omloop brengt. Hiermee was het voor eerst sprake van een eigen Nederlandse eenheidsmunt. De guldenmunten werden bij de Utrechtse Munt geslagen. DNB in Amsterdam ontfermde zich over de uitgifte van bankbiljetten. In het begin waren die biljetten niet populair; mensen wisselden ze snel in voor klinkende munten. Pas met de Bankwet uit 1863 zou DNB officieel het alleenrecht krijgen op het uitgeven van bankbiljetten.

Vijfentwing gulden bankbiljet uitgegeven door de Nederlandsche Bank in1861

Beeld: cc-sa-by Nederlandse Bank via Wikimedia Commons. Link:http://commons.wikimedia.org/wiki/File:25_gulden_(1861).jpg

Vijfentwing gulden bankbiljet uitgegeven door de Nederlandsche Bank in1861Vijfentwing gulden bankbiljet uitgegeven door de Nederlandsche Bank in1861

Beperkte invloed

Met de invoering van de Muntwet in 1816 deed ook de decimale gulden zijn intrede. In plaats van anderhalve gulden en 3 stuivers kostte iets 1 gulden en 65 cent. Misschien nog belangrijker dan het uitgeven van biljetten was de kredietverstrekking. Bij zijn aantreden begon Koning Willem I met een actief handelsbeleid om de vaderlandse economie te stimuleren. Hiervoor was veel krediet nodig dat DNB door de belening van effecten en goederen kon krijgen. Omdat de Staat ook bankierde bij de Nederlandse Bank, vertrouwden bestaande handels- en bankiershuizen de nieuwkomer niet. Vanwege deze achterdochtige houding had DNB in de beginjaren moeite om uit te groeien tot de nationale bank die Willem I wenste te zien.

De oude panden van de Nederlandse Bank op de Oude Turfmarkt (1863)

Beeld: Stadsarchief Amsterdam. Link:http://beeldbank.amsterdam.nl/afbeelding/010094003462

De oude panden van de Nederlandse Bank op de Oude Turfmarkt (1863)De oude panden van de Nederlandse Bank op de Oude Turfmarkt (1863)

Nationale Bank

De Bankwet uit 1863 bepaalde dat 40% van het geld in omloop gedekt moest zijn door de voorraad goud en zilver in de kluis van de Nederlandse Bank. Door deze stabiele en enorme metaalvoorraad in de kluis van DNB veranderde haar rol. In plaats van direct geld te lenen aan het bedrijfsleven, verschafte DNB geld aan particuliere banken. Dit had gevolgen voor de onderlinge verhoudingen in de bankenwereld. In de tweede helft van de 19de eeuw groeide DNB uit tot een nationale bank die toezicht hield op het bankwezen. In deze hoedanigheid waarborgde DNB het publieke vertrouwen in het monetaire systeem. Het duurde officieel tot de Bankwet van 1948 voordat DBN verantwoordelijk werd gehouden voor het op peil houden van de waarde van het geld. Precies zoals Willem I het bij de oprichting in 1814 voor ogen had gezien, als ‘Hoeder van de gulden’.

Klik hier om terug te keren naar het route-overzicht.

Publicatiedatum: 01/10/2013

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.