Een dag uit het leven van een Amsterdams weeskind

Donderdag 12 maart 1895, zes uur ’s morgens. Wat zou ik graag nog even blijven liggen, denkt Johanna Wijnberg als ze om zes uur gewekt wordt door de groothuismoeder. Om zich heen hoort ze de andere meisjes uit bed stappen, de houten vloer van de slaapzaal maakt krakende geluiden.

In het burgerweeshuis van Amsterdam is het elke ochtend hetzelfde liedje: opstaan, bidden en aankleden. Het duurt wel drie kwartier voordat de meisjes hun uniform aanhebben. Johanna vindt het rood- zwarte jurkje een onhandig geval. Maar ze is niet anders gewend, zo horen de wezen er nu eenmaal bij te lopen.

Amsterdams weeshuismeisje, 1880-1900, beeldhouwwerk door Jan Willem Best. Bron: Collectie Amsterdam Museum

Het ontbijt

Tijd voor het ontbijt. Johanna nuttigt zwijgend haar boterhammen en kopje thee, terwijl er wordt voorgelezen uit de bijbel. Tijdens de maaltijden mag er nooit gepraat worden, maar ’s ochtends vindt Johanna dat wel prettig. Het twaalfjarige meisje wordt pas echt wakker als ze na het ontbijt moet werken in de schillenkeuken. Gelukkig samen met de anderen, want aardappels schillen voor zo’n 200 personen is een flinke opgave. Daarna volgt voor Johanna de gruwel van de dag: een lepel levertraan halen in de ziekenhuiskeuken.

Meisjeseetzaal in het Burgerweeshuis, door August Stap, 1904. Bron: Collectie Amsterdam Museum

Naar school

Van negen tot half twaalf gaan alle kinderen die jonger zijn dan 14 jaar naar de weeshuisschool. Johanna geniet van het leren lezen, spellen en rekenen. Ze behoort samen met haar vriendinnetje Jet tot de besten van de klas. Het verplichte sokken breien in de linnenkamer na school bevalt de meisjes minder goed. ‘Die eeuwige sleur’, verzucht Johanna zachtjes tegen Jet, zich niet beseffende dat het leven van kinderen buiten het weeshuis in de negentiende eeuw vaak vele malen zwaarder is. De jongens uit het weeshuis hebben daar een beter beeld van; velen van hen werken elke dag als ambachtsleerling in de stad.

Samen eten

Om 12.30 eten de meisjes gezamenlijk in de eetzaal van het meisjeshuis. Op het menu staan vandaag grauwe erwten met vet en karnemelk met brood en siroop. Johanna en Jet begeven zich na de maaltijd naar de binnenplaats om hun vrije tijd buiten te besteden. Het is nog wat fris, maar het zonnetje schijnt. De meisjes nestelen zich onder de kastanjeboom en kijken naar het balspel van de andere kinderen. Zelf willen ze ook nog even touwtje springen. Lachend spelen de kinderen door tot 13.30, wanneer ze met een blos op de wangen terugkeren naar de linnenwinkel voor hun dagelijkse breitaak.

 De binnenplaats van het Burgerweeshuis, Nicolaas van der Waay, 1875-1936. Bron: Collectie Amsterdam Museum.

Hard werken

Tussen het breien door gaan de meisjes van 14.00 tot 16.00 uur nog eens naar de weeshuisschool, een welkome afwisseling. Maar ze moeten er wel voor zorgen dat ze om 16.45 uur ongeveer 40 naadjes hebben gebreid, om het verplichte aantal van 150 naadjes per week te halen. Johanna moet hard doorwerken en vindt het jammer dat er vandaag geen tekenen of gymnastiek op het programma staat. Dit zijn haar lievelingsvakken, ook al worden ze buiten het al drukke reguliere schema gegeven.

Merklap gemaakt in het Diaconieweeshuis van Amsterdam, 1897. Bron: Collectie Amsterdam Museum

De avondboterham

Wanneer het tijd is voor de avondboterham is Johanna moe. Maar na het eten mag ze samen met de andere meisjes gezellig bijeenzitten in één van de benedenzalen, waar er rustig gekletst of nog wat handwerk gedaan wordt. Om 20.30 uur krijgt iedereen een bord pap en daarna is het bedtijd.

Amsterdamse weesmeisjes in een gang voor en stadsprofiel van Amsterdam, Nicolaas van der Waay, 1902-1964. Bron: Collectie Amsterdam Museum

Het weeshuis verlaten

Johanna droomt voor het slapengaan weg over de dag dat ze het weeshuis zal verlaten, op haar 21ste. De afscheidsmaaltijd, het ‘schei-maal’, is in elk geval iets om naar uit te kijken. De uitgaande jongens en meisjes krijgen dan bovendien burgerkleding en wat contact geld van de regenten. Die dag zal hoe dan ook anders zijn dan alle anderen, denkt Johanna. Met haar gedachten in de buitenwereld, maar haar hoofd op het kussen in het vertrouwde tehuis, valt het weesmeisje in slaap.

Auteur: Aby Grupstra

 

Literatuur:

Lodewijk Wagenaar, ‘In het weeshuis. De zorg voor de burgerwezen van Amsterdam 1580-1960’ (Bussum 2009).

Wim de Bell, ‘Jongens en meisjes. Het leven in het Amsterdamse burgerweeshuis’ (Amsterdam 1996).

Ben Endlich en Nanda van der Zee, ‘Het Amsterdam Burger- Weeshuys: een stadje in een stad’ (Soesterberg 2001).

Publicatiedatum: 08/03/2011