Max Tailleur: een lijdensweg met veel applaus

Max Tailleur (1909-1990) was in het naoorlogse Nederland dé vertolker van de joodse humor. Zijn grote doorbraak kwam in 1952 met de opening van zijn legendarische cabaretclub De Doofpot op het Amsterdamse Rembrandtplein, waar hij Jiddische moppen vertelde.

Een fragment uit het boek ‘Max Tailleur, Mijn leven was geen mop’:
“Piet Ordeman had de zakelijke leiding over De Doofpot, Tailleur was het creatieve brein en deed de pr. Zo liep hij een paar dagen voor de opening van zijn cabaretclub het kantoor van het ANP binnen met de mededeling: ‘Ik ga een tent openen op het Rembrandtplein, zet het maar op de telex.’ ‘We zullen zien’, zei de redacteur en hij ging over tot de orde van de dag. ‘Ik ga moppen vertellen op het Rembrandtplein, zet maar op de telex’, herhaalde Tailleur, bij wie het woord ‘opgeven’ niet in het woordenboek voorkwam. Het leek dwaas om een cabaret te beginnen dat helemaal was gebaseerd op moppen, dus zei de redacteur weer: ‘We zullen zien’, en hij ging door met waar hij mee bezig was. ‘Ken je deze?’ vroeg Tailleur daarop. Eén mop slechts vertelde de man met de Amsterdams-Jiddische achtergrond. Dat was voldoende. De redacteur van het ANP liep naar de telex en maakte het nieuws wereldkundig. ‘Max Tailleur’, zo meldde hij Nederland, ‘gaat De Doofpot openen’.”

De Doofpot

Veel mensen hadden Tailleur gewaarschuwd dat het publiek echt niet zat te wachten op een avondvullend programma met het vertellen van moppen als hoofdbestanddeel, maar Tailleur – eigenwijs als hij was – zette door en tegen ieders verwachting in was café-cabaret De Doofpot vanaf de eerste avond een doorslaand succes. Al na 110 dagen kon de leiding een gouden speldje uitreiken – een doofpotje met een briljant in de knop van het deksel – aan de vijfentwintigduizendste toeschouwer, mevrouw C. de Leve, nota bene een Rotterdamse. In de jaren erna werden de asbakjes waarop GESTOLEN UIT DE DOOFPOT stond gegraveerd, met honderden per maand ontvreemd.

Doorlopend programma

Afgezien van de herkenbaarheid van de Brammen en Mozen die Tailleur in zijn witzen verdrietig en slim liet zijn, schlemielig en soms triomfantelijk, gaf hij als verklaring voor het succes van zijn cabaretclub ook dat de gewoonten van de mensen in de jaren vijftig waren veranderd. Sinds de komst van de televisie keken de mensen om acht uur eerst het nieuws en daarna wilden ze nog uit. Tailleur: “Dan zijn de theatervoorstellingen al begonnen, net als de eerste voorstelling van de bios – de tweede begint pas om half tien. ‘Laten we maar naar Max Tailleur gaan’, zegt vader dan. Bij mij kun je binnenlopen wanneer je wilt – het programma gaat de hele avond door.”

Twaalf ambachten, dertien ongelukken

Maar zelf had Max Tailleur de enorme populariteit van De Doofpot ook niet verwacht, want tot 1952 had hij op zakelijk gebied vooral bekend gestaan als de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Op de avond van de opening had hij pijn in zijn maag van de zenuwen. Achter de ramen stond hij te kijken naar de twee rijen die zich op het Rembrandtplein vormden: een rij met klanten voor De Doofpot en een rij aan de overkant met schuldeisers die kwamen checken of er een kans bestond dat ze hun geld terug zouden zien. Beide rijen hoopten dat ze die avond zouden kunnen lachen.

Auteur: Jan Luitzen.Beide boeken van Jan Luitzen over Max Tailleur zijn verkrijgbaar:
Max Tailleur. Mijn leven was geen mop
Sam en Moos. De beste moppen van Max TailleurDit verhaal maakt deel uit van de campagne Werelderfgoed.
Klik hier om naar het thema Amsterdamse grachtengordel te gaan.

Publicatiedatum: 20/06/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.