“Kijk dat keiharde zwarte ijs nou toch eens!”

Wie van ijskoud houdt, en van sneeuwpret, kan zijn hart nu al in het Teylers Museum ophalen aan 'ijskoude schilderijen uit de 19e eeuw' tijdens de nieuwe tentoonstelling 'Echte Winters'.

Winterlandschap, 1846.

Andreas Schelfhout (1787 – 1870), Winterlandschap, 1846, collectie Teylers Museum.

Winterlandschap, 1846.Winterlandschap, 1846.

Winterse sferen

Conservator Michiel Plomp staat in het restaurant van het Teylers Museum voor een bijna muurgrote uitvergroting van een winters landschap van Andreas Schelfhout. Het origineel, dat deel uitmaakt van de tentoonstelling ‘Echte winters’, is een stuk kleiner en past er precies 65 keer in.

Het is duidelijk waarom Schelfhout één van de beste winterlandschapschilders van de negentiende eeuw wordt gevonden. Plomp wordt er bijkans lyrisch van. “Kijk dat keiharde, zwarte, gladde ijs nou toch eens. En die glinsterende ijsblokken, die je bij wijze van spreken kunt lostrappen. En kijk ook eens naar die natuurgetrouwe krassen in het ijs en de donkere sneeuw. Er is nét voldoende zon om dat allemaal aan te lichten.”

Kortom, dat belooft wat voor de rondleiding die hij straks gaat geven. Als de deelnemers aan de persrondleiding hun kopje thee opdrinken, vertelt de conservator nog even dat het museum ten tijde van de tentoonstelling in winterse sferen zal zijn ondergedompeld. Zo komt er een ‘koek en zopie’ in het restaurant. “We hebben zelfs even overwogen om de thermostaat wat lager te zetten.” Gaan ze toch maar niet doen, want het moet wel gezellig blijven.

IJsgezicht met twee molens, 1865.

Andreas Schelfhout (1787 – 1870), IJsgezicht met twee molens, 1865, collectie Teylers Museum.

IJsgezicht met twee molens, 1865.IJsgezicht met twee molens, 1865.

Poolreizigers

Als we naar de grote tentoonstellingszaal lopen wijst de conservator nog even op het boekenkabinet, waar een kleine tentoonstelling over poolreizigers is ingericht. En in het prentenkabinet hangen zeventiende- en achttiende-eeuwse winterlandschappen, voorlopers van de negentiende-eeuwse schilderijen die in de grote zaal zijn te zien.

Volgens Plomp is het de eerste keer dat er een grote tentoonstelling wordt gewijd aan winterlandschappen in de schilderkunst van de negentiende eeuw. Diverse musea zoals Gemeentemuseum in Den Haag, Rijksmuseum, Fries Museum en Gelderse Kastelenstichting leenden hun werken uit. “We hebben heel Nederland afgegraasd op bijzondere wintervoorstellingen, maar we hebben ook een zeldzame vroege aquarel van Vincent van Gogh uit Duits particulier bezit.”

De tentoonstelling, die zowel aandacht besteedt aan schaatswedstrijden en ritjes in de arrenslee als aan schrijnende armoede en levensbedreigende situaties, is met name zo aardig omdat er tegenwoordig nauwelijks meer strenge winters voorkomen. Hendrick Avercamp schilderde zijn winterse taferelen nog in ‘de kleine ijstijd’ (1430-1850). Daarna zou het geleidelijk aan steeds warmer worden. Er komen nog wel strenge winters voor, zoals in 1963, maar de kans daarop wordt steeds kleiner. Op de tentoonstellingszaal is een aparte wand ingericht met statistieken van het KNMI, zoals er ook oude schaatsen te zien zijn. En een mooie stok, die je al schaatsend met zijn drieën kon vasthouden, waarbij de meest geoefende vooraan reed.

IJsgezicht bij een stad, 1861.

Andreas Schelfhout (1787 – 1870), IJsgezicht bij een stad, 1861, collectie Teylers Museum.

IJsgezicht bij een stad, 1861.IJsgezicht bij een stad, 1861.

De Gouden Eeuw

In de zeventiende eeuw werden er ook winterlandschappen geschilderd, maar dat hield rond 1670 op. Toen kreeg men meer oog voor “arcadische landschappen, waar het altijd zomer is”, zo vertelt Plomp. Pas aan het einde van de achttiende eeuw komt het genre van de winterlandschappen terug, waarbij men vooral teruggrijpt op de Gouden Eeuw, “want dat was toch de periode waarin Nederland hartstikke goed was en mooie schilderijen maakte.”

Jacob van Strij, maar ook Andries Vermeulen en Hendrik Willem Schweickhardt zetten het winterlandschap weer op de kaart. “Opvallend is dat ze er voor kiezen om minder mensen af te beelden.” Plomp wijst op een schilderij van Van Strij, waar maar twee mensen bij een eenzaam huisje op voorkomen. “Ze kiezen voor verstilling en rust, terwijl schilders als Avercamp hun ijslandschappen vol mensen en lawaai zetten. Het wordt allemaal wat melancholisch; écht wat je bij de romantiek verwacht.”

Het stadhuis van Haarlem bij winter, 1865.

Cornelis Springer (1817-1891), Het stadhuis van Haarlem bij winter, 1865, collectie Teylers Museum.

Het stadhuis van Haarlem bij winter, 1865.Het stadhuis van Haarlem bij winter, 1865.

Meester Andreas Schelfhout

De grote held van de winterlandschaptentoonstelling is toch wel Andreas Schelfhout uit Haarlem. “We laten drie schilderijen van de meester zien, die uit onze eigen collectie komen, plus een bruikleen. Bovendien richten we een aparte vitrine in met zijn mooiste tekeningen en aquarellen.” Daar zitten een paar voorstudies bij, die een paar meter verderop aan de wand hangen.

Plomp vindt hem eigenlijk wel een kanjer. “Hij is één van de besten in het weergeven van dat keiharde zwarte ijs; dat doet bijna niemand hem na. In het begin van zijn carrière schrijven journalisten dat vooral zijn winterlandschappen erg goed zijn. Schelfhout, die een slimme man was, is daar duidelijk op doorgegaan.”

In het ‘gele’ deel van de zaal wordt getoond wat voor invloed de winters hadden op het dagelijks leven in de negentiende eeuw. “Op die ijsgezichten van Schelfhout ziet het er allemaal leuk en gezellig uit, maar in de eerste helft van de negentiende eeuw kwamen er nog felle winters voor. Als de kanalen en vaarten dichtvoren was er geen scheepvaartverkeer mogelijk, wat enorme werkloosheid veroorzaakte. Mensen verdienden in die tijd toch al weinig. Met name de minder bedeelden, en daar waren er in die tijd veel van, hadden het in dat soort winters héél zwaar.”

Portret van Maximilianus van der Heyden, ca. 1811.

Theodorus Bohres (werkzaam 1810-1830), Portret van Maximilianus van der Heyden, ca. 1811, Brantsen van de Zyp Stichting, Arnhem.

Portret van Maximilianus van der Heyden, ca. 1811.Portret van Maximilianus van der Heyden, ca. 1811.

Loszagen

Hoewel, soms leverde het ook werk op. Hermanus Koekoek laat op zijn schilderij bijvoorbeeld zien hoe het ijs rond schepen van de koopvaardij werd losgezaagd. “Vooral in 1830 bleef het maar vriezen, terwijl die schepen toch naar Suriname moesten.” Volgens de overlevering werden er 600 mensen voor één maand ingehuurd om op het Noord-Hollands Kanaal ijs los te zagen, totdat de schepen bij Den Helder eindelijk het ruime sop konden kiezen.

In dat soort strenge winters bevroren ook de rivieren, maar daar bleef het niet bij. Vanuit Duitsland stroomde smeltwater met grote brokken kruiend ijs naar Nederland, waarbij enorme krachten vrijkwamen, die dijken en huizen omver duwden. Dat gaf een grote ravage, die weer overstromingen tot gevolg had. ‘De dood hing boven de rivier’, zoals een schrijver het in die tijd formuleerde. Zo hangen er twee schilderijen die in 1799 in de buurt van Nijmegen zijn gemaakt.

Dergelijke natuurrampen kwamen ook in de rest van het land voor. Dat is goed te zien op een schilderij dat op zijn beurt weer uit kleine schilderijtjes bestaat. Het heeft wel iets weg van een stripverhaal. De schilderijtjes werden door leden van het Amsterdamse genootschap Arti et Amicitiae verkocht en de opbrengst ging naar de slachtoffers van de watersnood in 1855. “Dat soort overstromingen vond om de tien à vijftien jaar plaats, maar door kanalisering en ophoging van de dijken, en door de steeds minder strengere winters, komt dat niet meer voor.”

Schaatswedstrijd voor vrouwen op de Westersingel in Leeuwarden, 21 januari 1809.

Nicolaas Baur (1767-1820), Schaatswedstrijd voor vrouwen op de Westersingel in Leeuwarden, 21 januari 1809, collectie Fries Museum, Leeuwarden. Een variant van dit schilderij bevindt zich in het Rijksmuseum.

Schaatswedstrijd voor vrouwen op de Westersingel in Leeuwarden, 21 januari 1809.Schaatswedstrijd voor vrouwen op de Westersingel in Leeuwarden, 21 januari 1809.

Jassen en truien

Het was niet alleen gevaarlijk om in de buurt van een rivier te wonen, verwarming was in die tijd ook schaars. “Alleen welgestelden konden zich een paar verwarmde kamers veroorloven. De mensen die het minder goed hadden, lagen met jassen en truien aan onder de dekens. ’s Nachts schoven ze wat dichter tegen elkaar aan, zodat ze het wat warmer hadden.”

Of je vroor dood, zoals één van de deelnemers aan de persrondleiding opmerkt. “Ja, daar hebben we hier een voorbeeld van,” zegt Plomp en hij wist op een schilderij van Hermanus Koekoek, getiteld ‘Klaas Bording met zijn twee zoons op een ijsschots in de Zuiderzee in 1849’. Vader en zoon gingen ‘botkloppen’ (vissen op het ijs). “Ze vangen goed, maar ze gaan nét iets te lang door. De schemering valt en als ze terug willen naar Durgerdam, blijkt dat de ijsschots losgeraakt is.” Het zou het begin worden van een twee weken durende ‘horrortocht’ over de Zuiderzee. “Ze springen van schots naar schots, want hun eigen schots is aan het smelten. Ze drijven langs verschillende dorpen en steden. In Enkhuizen kunnen ze bijvoorbeeld op de klok zien hoe laat het is. Ze schreeuwen zich schor, maar niemand hoort hen.” Uiteindelijk worden ze gered, maar vader en oudste zoon waren er zó erg aan toe dat ze uiteindelijk overleden. Kortom, ijs zorgt voor pret, maar het gevaar loert om een hoekje.’Echte winters’ is van 7 november 2015 tot en met 6 maart 2016 in het Teylers Museum in Haarlem te zien.Auteur: Arnoud van Soest.

Publicatiedatum: 09/11/2015