Hoe de Nieuwmarktbuurt de kaalslag overleefde

De Amsterdamse Nieuwmarktbuurt was in de jaren zeventig centrum van verzet tegen grootschalige sloop, wat leidde tot een nieuwe aanpak: bouwen voor de buurt. In maart vierde ontmoetingscentrum Huis De Pinto het eerste lustrum, reden voor een duik in de historie.

Hans van Lent is vrijwilliger bij het in Huis De Pinto gevestigde cultureel-literaire ontmoetingscentrum, dat vorige maand het vijfjarig bestaan vierde. Samen met een aantal vrijwilligers bestiert hij er de ruilbibliotheek. Tussen 1975 en 2012 was in hetzelfde pand nog een openbare bibliotheek gevestigd, maar toen de OBA in 2007 haar nieuwe hoofdvestiging opende op het vlakbij gelegen Oosterdokseiland, werd het bibliotheekfiliaal in Huis De Pinto opgedoekt. Ervoor in de plaats kwam een door vrijwilligers gerund ontmoetingscentrum.

Maar Van Lent is ook historicus en op ons verzoek duikt hij in de geschiedenis van de Nieuwmarktbuurt. We beginnen in 1594, toen Amsterdam nog stadspoorten had (De Waag was er één van) en de stad nog over een stadsmuur beschikte die de burgers moest beschermen tegen invallen van de troepen van de hertog van Gelre. De Geldersen hadden het regelmatig met Amsterdam aan de stok, omdat ze vonden dat hun handelsrivaal de handel over de Zuiderzee (Oostzee, Engeland) monopoliseerde.

Hans van Lent in de bibliotheek van Huis De Pinto, die hij samen met andere vrijwilligers beheert. Foto door Arnoud van Soest.

Een zompig weidegbied

Het gebied buiten de stadsmuur, ten oosten van de Geldersekade, was toen nog een zompig veenweidegebied waarin zich allerlei bedrijfjes hadden gevestigd, zoals scheepswerfjes en touwslagerijen. Die bedrijfjes deden net of ze niet bij Amsterdam hoorden en betaalden ook geen belasting aan de stad,  omdat ze buiten de stadsmuren lagen. Nadeel was dat ze ook niet werden  beschermd tegen de Geldersen,  maar zo’n aanval vond nou ook weer niet elk jaar plaats, dus in de tussentijd konden ze goed verdienen.

Maar rond 1600 was de middeleeuwse stad overvol en moest er hoog nodig worden bijgebouwd. Aan de westkant ontstonden de Jordaan en de eerste grachten (Heren- en Brouwersgracht), aan de oostkant van de Geldersekade ontstond de Lastagebuurt, die vermoedelijk is  vernoemd naar de ballast die schepen nodig hadden als ze in Amsterdam hun lading hadden gelost en klaar waren voor de terugreis. Aan de Prins Hendrikkade stond een kraan die daartoe ballast, zoals stukken ijzer, in het lege ruim liet zakken.

Twee historiserende voorstellingen van de Sint Antoniespoort aan het uiteinde van de Zeedijk, nu de Waag op de Nieuwmarkt. Vervaardigd door Jan Goeree (1670-1731). Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Natuurlijke riolering

Voor de nieuwe Lastagebuurt werden eerst grachten gegraven, zoals de Kromboom- en Rechtboomsloot. Ze werden vernoemd naar de familie Boom, die in scheepsartikelen als touw en teer deed. De grachten waren nodig voor afwatering van het drassige veenweidegebied en dienden als riolering. Er verrees een verdedigingswerk op de Oudeschans (Montelbaanstoren) en er kwam een sluis, want de Zuiderzee kende toen nog getijden. Van Lent: “Riolering was er toen nog niet. De grachten werden ondergepoept en ondergepiest, dus bij hoog water werden de sluizen gewoon opengezet.”

Stadsmuur en stadspoort verloren door de stadsuitbreiding hun functie en werden vervolgens afgebroken. Bij die uitbreiding hoorden ook Marken, nu alleen bekend als parkeergarage, en Valken- en Rapenburg, kortom, het gebied rond de huidige IJ-tunnel dat zich tot een joodse buurt zou ontwikkelen. Het was immers de tijd dat de Sefardische Joden uit Spanje vluchtten om via Antwerpen, dat ook door de Spanjaarden werd ingenomen, uiteindelijk in Amsterdam te belanden.

In 1602 werd de VOC opgericht, die welvaart bracht. Vanaf dat moment ging de stadsuitbreiding tien keer zo snel als daarvoor. Aan de oostkant van de Geldersekade werden chique huizen van drie, vier verdiepingen gebouwd, maar ook de oorspronkelijke, middeleeuwse huisjes langs de inmiddels gesloopte muur werden opgeruimd en door chiquere huizen vervangen. Vervolgens werden ze door handelaren, reders en kapiteins bewoond. Aan de Kloveniersburgwal, waar de muur ook werd afgebroken, verrees onder meer het Trippenhuis.

Aan de St Antoniesbreestraat verrezen ook dure huizen, terwijl het werkvolk en de ambachtslieden in de zijstraten neerstreek. Arm en rijk woonde dus door elkaar, net als aan de Herengracht, waar de beter gesitueerde kooplieden woonden, terwijl de eenvoudige luitjes om de hoek resideerden. Pas toen aan het eind van de negentiende eeuw de Vondelstraat werd gebouwd, ging de elite zich terugtrekken in grote huizen langs het Vondelpark.

De Waag op de St. Antonismarkt (Nieuwmarkt), 1663. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

De eerste bankiers

Het Huis De Pinto in de St Antoniesbreestraat 69 werd in 1605-1606 gebouwd. Van Lent:  “Het huis werd gebouwd in opdracht van Jan Jansz. Carel, medeoprichter van de VOC. In 1661 trok de familie Pinto er in. Dat was een Joodse familie uit Portugal. Het was een familie van kooplieden en bankiers, want in de zeventiende eeuw ging geld een steeds grotere rol spelen. Bankiers beheerden het geld dat met de handel op de Oostzee en later Indië werd verdiend. De bankiers leenden dat geld weer uit aan de steden en de stadhouders als die weer eens wilden vechten.”

De Pinto’s hebben hier overigens maar een eeuw gewoond, want in de eerste helft van de achttiende eeuw ging het al een stuk minder met Amsterdam. Van Lent noemt het naar hen vernoemde huis  het enige grachtenpand buiten de grachtengordel. “De Pinto’s hebben er een zandstenen gevel met marmer voor laten zetten. Voor die tijd waren de meeste gevels van baksteen, maar de familie wilde er een paleisachtig onderkomen van maken.”

En hoewel de Nieuwmarktbuurt niet een èchte joodse buurt was, in tegenstelling tot Rapenburg, woonden er in de St Antoniesbreestraat veel textielhandelaren. Van Lent: “Voor de oorlog had je op de Nieuwmarkt een textielmarkt, waar alleen joodse kooplieden stonden. Mensen maakten in die tijd zelf hun kleding en kochten daar hun stoffen.”

Huis De Pinto, St Antoniesbreestraat. Via Stadsherstel Amsterdam.

Ingestorte huizen

“De tragiek is dat veel Joodse mensen in WOII zijn weggevoerd,” vervolgt Van Lent. “Hun huizen kwamen in handen van NSB’ers, maar er stonden ook veel huizen leeg, huizen die bijna instortten nadat in de Hongerwinter van 1944-1945 alles wat van hout was uit de huizen werd geroofd. Na de oorlog was er ook niet meteen geld om de buurt op te knappen.”

Pas in 1953 lanceerde de gemeente Amsterdam een wederopbouwplan. Het oosten van de stad was helemaal naar de haaien en omdat de auto in opkomst was, diende de stad gemoderniseerd worden. “In die tijd kregen we via het Marshallplan hulp uit Amerika en het idee was dat de stad geschikt moest worden gemaakt voor de auto.” Zo ontstond het plan om van de St Antoniesbreestraat een vierbaans snelweg te maken, die aansloot op de IJ-tunnel. Van Lent: “De IJ-tunnel is niet voor niets op die plek gekomen, want daar stonden immers de ruïnes van de joodse wijk.”

De spoorlijn die van het Weesperpleinstation naar Utrecht liep, was inmiddels opgedoekt. Het was de bedoeling om van het voormalige treintracé in de Weesperstraat een snelweg te maken, die ook door de Nieuwmarktbuurt zou lopen. Er lagen overigens nog meer doorbraakplannen klaar; ook de Utrechtsestraat zou bijvoorbeeld worden verbreed. Kortom, Amsterdam moest een autostad worden en de huizen zouden door grote kantoorgebouwen worden vervangen.  Wonen kon maar het beste in de tuinsteden.

Huis De Pinto in de jaren zeventig. Via Stadsherstel Amsterdam.

Geurt Brinkgreve

Dat het zo ver niet is gekomen, is te danken aan monumentenbeschermers als Geurt Brinkgreve. In 1966 schreef hij een petitie, omdat het naar zijn mening helemaal de verkeerde kant op ging met Amsterdam. Als het stadsbestuur ruim baan wilde maken voor de  auto, dan waren de monumenten in gevaar. In een week tijd kreeg Brinkgreve’s oproep maar liefst 114.000 steunbetuigingen, waarmee hij naar het stadsbestuur stapte. Dat leidde uiteindelijk tot een ommekeer. Stapsgewijs werd het idee van cityvorming verlaten en stapte men over op bouwen voor de buurt.

De Provo’s, een kleine maar spraakmakende beweging, zaten op hetzelfde spoor met hun Witte Fietsenplan, dat tegen de luchtvervuiling door de vroem vroem-auto’s was gericht . Zij opereerden in de geest van de jaren zestig, die in het teken stonden van het verzet tegen de autoriteiten èn de woningnood, die vooral  het gevolg was van de babyboom van ná de oorlog. Dat leidde ertoe dat woningen werden gekraakt en zo kwamen de actievoerders de buurt in, die zich vanaf 1969 gingen verzetten tegen zowel de snelweg als de aanleg van de metro. Van Lent: “Die doorbraakplannen kostten veel geld, dus het ging héél langzaam. De gemeente kon niet hele blokken in één keer slopen. Eerst moesten de bewoners van de Nieuwmarktbuurt aan een nieuw huis worden geholpen, in of buiten Amsterdam. En als zo’n huis leeg kwam, doken de krakers er meteen in, tot woede van de gemeente.”

Huis De Pinto, anno 1973. Via Stadsherstel Amsterdam.

De omslag

De omslag in de publieke opinie, een omslag die zich ook aftekende in de PvdA-fractie van de gemeenteraad, die decennialang de grootste partij van Amsterdam was, leidde ertoe dat het stadsbestuur in 1972 besloot om toch maar af te zien van een vierbaansweg door de binnenstad. Met slechts één stem meerderheid werd de snelweg weggestemd. Voor Geurt Brinkgreve was dat het sein om alles op alles te zetten om panden als Huis De Pinto te restaureren, net als de mooie geveltjes van het pandje op de Sint Anthoniesluis.

Vervolgens besloot de gemeente om bij de nieuwbouw in de Nieuwmarktbuurt het zestiende-eeuwse stratenpatroon (de rooilijn) aan te houden. Van Lent: “Men wilde dat de buurt terug kwam zoals ‘ie was in pakweg 1605. Misschien is dat een romantisch idee, maar het was ook een overwinning op de tuinsteden en de rechttoe rechtaan nieuwbouw van Purmerend en Almere.”

De monumentale gevel van Huis De Pinto. Via Stadsherstel Amsterdam.

Van Lent woont sinds de jaren zeventig in de Nieuwmarktbuurt, een buurt die hem het liefst is als hij op zondagmorgen, als het nog rustig is, langs de grachtjes en door de straatjes kan dwalen. Toen hij er in 1971 kwam wonen, woonde hij nog in een zijstraatje, maar inmiddels woont hij in een monumentaal pand aan de Geldersekade. In het ene deel woont hij zelf, in het andere deel huist een bevriend echtpaar.

Wonen in een monumentaal pand in de Amsterdamse binnenstad, menigeen zou er een moord voor doen, maar het heeft inmiddels ook zijn schaduwzijden. “Ja, dat gaat nog wat worden met die milieutransitie, want in een monumentaal pand mag je geen dubbel glas of zonnepanelen aanbrengen. Het idee daarachter is dat monumenten vroeger ook geen dubbel glas hadden en dat dat zo moet blijven. Maar langzamerhand rijst de vraag hoe lang je nog in zo’n monument kunt blijven wonen. Je verstookt wat af.”

Van Lent wijst naar de fraaie schilderingen op het cassettenplafond met goudkleurige balken uit 1686. Ooit was dit de eetzaal van de Pinto’s, nu is het de leeszaal van de ruilbibliotheek. Kunstenaar Nicolaas Wijnberg vulde de zeven vakken met eigentijdse plafondschilderingen. Foto door Arnoud van Soest.

Cityhoppers

En dan heeft hij het nog niet eens over de horeca, die in de buurt de plek van winkels heeft ingenomen en ‘die eindeloze pantoffelparade van toeristen’. “Je moet steeds opletten of je nog wel over de stoep kan, zó druk is het. In het weekend is het helemaal krankzinnig druk, want dan komen er nog de cityhoppers bij. De Nieuwmarktbuurt ligt op de route van de Dam naar het Waterlooplein, dat volgens de gidsjes zo leuk zou zijn.”

Dat is mede de reden dat hij actief is geworden in Huis De Pinto, want dat is één van de weinige plekken in de Nieuwmarktbuurt is waar je nog buurtbewoners kunt ontmoeten, zowel de oud-krakers als de mensen die later zijn komen aanwaaien.

Oud-krakers die soms niet alleen hun wilde haren, maar ook hun idealen hebben veronachtzaamd.  De krakers die in de plaats kwamen van de oorspronkelijke bewoners die naar Amsterdam-Noord of Purmerend vertrokken, waren veelal studenten, die later goede banen kregen en de pandjes gingen kopen. Van Lent: “Onze generatie – in 1970 was ik 23 – is altijd in de buurt blijven wonen. Om het een beetje gemeen te zeggen: de krakers van toen verhuren hun huis nu via airbnb. Of ze verkopen hun huizen voor gigantische bedragen, al ken ik overigens ook mensen die er niet over piekeren hun pand te verkopen. Kortom, sommige mensen hebben boter op hun hoofd. Als je jong bent denk je aan je idealen, als je oud bent denk je aan je portemonnee.”

Tekst: Arnoud van Soest