Het Haarlemmer-meer

Waar eens schepen voeren en stormen raasden, landen nu Boeings. Als je op de dijk van de Ringvaart staat en in de verte de vliegtuigen ziet gaan en komen, is het nauwelijks voorstelbaar dat de Haarlemmermeerpolder die je voor je ziet, eens een binnenmeer was.

Een meer waarop ooit een slag woedde met de Spanjaarden tijdens het beleg van Haarlem, een meer waarop vele schepen voeren en sommigen vergingen. Het was een groot meer, net geen binnenzee. Wie wil weten hoe groot het was, neme een fiets en rijde de gehele Ringvaart om. Dan weet je het. In 1852 is het droog gepompt.

Kaart met de oude oevers van de Haarlemmermeer

Kaart met de oude oevers van de Haarlemmermeer Ca. 1770, anoniem, 1685 – 1687

De waterwolf

Het Haarlemmermeer was niet altijd even groot als het meer dat in 1852 droog viel. Het is in de loop der tijd steeds groter geworden. In de vroege zeventiende eeuw lagen ter plekke zelfs meerdere meren. In het noorden, onder Halfweg lagen het Spieringmeer en het Oude Meer. In het midden, toen al het grootste, het (Oude) Haarlemmermeer. Ten zuiden daarvan lag het Leidsche Meer. Tussen die meren bevonden zich veengronden en veenmoerassen en op de wat hoger gelegen veengrond lagen dorpen als Nieuwerkerk en Rijk. In de loop der tijd sloegen stormen steeds meer veengrond weg, die overigens ook verdween door veenafgraving. Dat leverde turf op voor onder andere de bierbrouwerijen van Haarlem.

Toen de meren uiteindelijk verenigd waren tot het ene grote Haarlemmermeer, bleef de oeverafslag nog steeds een groot probleem. Het werd erger, omdat de golven bij stormen een grotere aanloop konden nemen en des te heviger op de oeverbeschermingswerken inbeukten. Het leverde het Haarlemmermeer de naam op een ‘waterwolf’ te zijn. De dichter Nicolaas Beets dichtte hierover: “Groote Plas, groote Plas!/’k Wou je leeggemalen was/ Want je knabbelt, alle jaren/ Aan mijn weiland met je baren/ En het kost mij heel wat geld/ Om je perk te zien gesteld.” Maar van de al sinds de zeventiende eeuw bestaande plannen om het meer droog te leggen, kwam niets terecht. Machtige steden als Haarlem en Leiden verhinderden dit omdat het meer van belang was voor hun inkomsten uit de binnenscheepvaart.

De stormen van 1836

Op 29 november 1836 was het weer raak. De schoolmeester Pieter Boekel geeft ons een ooggetuigenverslag.

Hij merkte hoe een nauwelijks waarneembare wind aanwies “… tot zachten wind, die, al sterker en sterker geworden, van harden wind tot storm overging. Het was toen half één op den middag. De storm groeide aan en nam toe in kracht, tot dat hij een uur later den verwoestenden aard van een orkaan aannam. Drie uren achtereen duurde het noodweer, woest was de aanblik op het Haarlemmermeer. Als golfden er heuvels, zoo rolde de eene baar na de andere … Ver in den omtrek, tusschen het geloei van den orkaan door, hoorde men het suizend gebruis van het wilde water, dat door rukwind op rukwind voortgezweept, al stouter en woester voorttuimelde, en kokend en klotsend tegen paalwerk en oeverkant aanstormde”.

De gevolgen logen er niet om. Door de zuidwesterstorm opgestuwd water overstroomde het gehele poldergebied tussen Sloten en Amsterdam. Oeverbescherming en polderdijken begaven het. De schade was enorm. Het werd erger. Nog geen maand later stak opnieuw een geweldige storm op, nu uit het noordoosten. Alsof het zo heeft moeten zijn, werden nu de polders aan de overkant van het meer blank gezet en stroomde het water door de laag gelegen wijken van Leiden. Ook hier was er grote schade aan oeverwerken, dijken en verharde wegen. De boeren waren persoonlijk het ergst getroffen. Ze hadden jaren nodig om deze klap te boven te komen. Bij veel getuigen van de ramp overheerste het gevoel dat het nu maar eens afgelopen moest zijn.

Woelig water in het Haarlemmermeer

Woelig water in het Haarlemmermeer 1755, Simon Fokke, 1755 – 1757

Drooglegging

Dat gevoel was niet nieuw. Nieuw was dat er nu daadwerkelijk initiatieven in de richting van drooglegging werden ondernomen. Daarvoor zijn vele redenen aan te wijzen. De belangrijkste reden is zonder meer dat er nu een centrale landsregering bestond die ingrijpende besluiten kon nemen, ook als daartegen bezwaren bestonden bij gewesten of steden. Een dergelijk landsbestuur bestond niet ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden. De overstroming van het gebied bij Sloten maakte weer eens duidelijk hoe afhankelijk de hoofdstad Amsterdam was van dergelijke gebieden voor de voedselvoorziening.

De drooglegging van het Haarlemmermeer zou niet alleen een einde maken aan het overstromen van die land- en tuinbouwgebieden, maar daar ook vele hectaren nieuw land aan toevoegen. Dat was welkom omdat na de stagnatie in de achttiende eeuw de bevolking weer groeide in omvang. Overstromingen van het Haarlemmermeer bedreigden ook betrekkelijk nieuwe verharde wegen als die tussen Haarlem en Den Haag. Gedurende de periode van besluitvorming, die tot 1848 zou duren, kwam daar ook de spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem bij. Om al die redenen, en andere, kon de drooglegging in 1848 beginnen. Daaraan was een aantal jaren voorafgegaan van twijfelen en studeren op vraagstukken als de financieringsvorm. Ook over de vraag of men windmolens dan wel stoommachines zou gebruiken bestond lang twijfel. Het werd stoom.

Literatuur

P. Boekel, Geschiedenis van het Haarlemmermeer in schetsen en taferelen (Amsterdam 1868).

Corien Glaudemans, De oude plannen tot droogmaking van het Haarlemmermeer (Doctoraalscriptie, Leiden 1985).

K.J.P.F.M. Jeurgens, De Haarlemmermeer. Een studie in planning en beleid 1836-1858 (Amsterdam 1991)

Allemaal ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Publicatiedatum: 05/01/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.