Grote Markt: Oranjegezinden nu en patriotten toen

“Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima, ik heet u van harte welkom in Haarlem, op het mooiste plein van uw koninkrijk”. Met deze woorden verwelkomde burgemeester Schneiders het koningspaar tijdens hun kennismakingsbezoek aan de provincie Noord-Holland op 14 juni 2013.

Samen met de commissaris van de Koning en het koningspaar stond hij op het bordes van het gemeentehuis aan de Grote Markt. Het paar werd feestelijk onthaald door de Haarlemse bevolking; geen wanklank was te horen. Dat is echter wel eens anders geweest.

Aan het eind van de 18e eeuw, aan de vooravond van het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden, triomfeerden op dit plein de tegenstanders van de Oranje stadhouder, de patriotten. Hun glorietijd zou maar kort duren, ondanks dat zij op steun van het machtige Franse Leger konden rekenen. De breed gedragen onvrede over de Franse bezetting en de rol van de patriotten, zou in 1813 de weg plaveien voor een terugkomst van een Oranje vorst en daarmee de oprichting van een nieuw Koninkrijk der Nederlanden.

De Grote Markt in Haarlem

De Grote Markt in Haarlem Foto: Haarlem Citymarketing

Patriotten vs Oranjegezinden

Aan het eind van de 18de eeuw stonden in Nederland twee politieke groepen tegenover elkaar: de patriotten en de Oranjegezinden. De patriotten waren een mondige groep burgers die pleitte voor meer democratisering in het bestuurlijke systeem en zich verzette tegen de macht van stadhouder Willem V. De Oranjegezinden steunden juist de stadhouder in zijn strijd om meer macht ten koste van de regenten uit de steden van het gewest Holland.

Nadat de Republiek tegen een gevoelige nederlaag was aangelopen in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784), werd de situatie op de spits gedreven. De patriotten hadden zich gegroepeerd in ‘Vrijkorpsen’ die in verschillende steden de straat opgingen en relletjes veroorzaakten. In de zomer van 1786 grepen de patriotten de macht in Utrecht en andere steden volgden spoedig. In Den Haag werd het Willem V te heet onder de voeten. Hij vluchtte met zijn gezin naar Nijmegen, om in geval van nood naar bondgenoot Pruisen te kunnen uitwijken.

Patriottenplein

In de loop van 1787 grepen de patriotten ook in Noord-Hollandse steden de macht. Onder gezag van de patriotten werden in veel steden nieuwe ‘Regeringsregelementen’ ingevoerd. Hierdoor werd de stadhouder bij de benoeming van nieuwe leden van het vroedschap (stadsbestuur) buitenspel gezet. De machtsbasis van de stadhouder werd hiermee aanzienlijk uitgehold.

Op 5 september wordt op de Grote Markt van Haarlem een indrukwekkende vrijheidstempel opgericht. Tijdens een plechtige ceremonie werd het nieuwe Regeringsregelement beëdigd. Op de afbeelding hierboven zien we links de tempel en rechts de Sint Bavokerk. Op de voorgrond staan leden van de schutterij opgesteld

Uitroepen van de Regeringsregelementen op de Grote Markt in Haarlem, 1787

Uitroepen van de Regeringsregelementen op de Grote Markt in Haarlem, 1787 Beeld: Noord-Hollands Archief

Hoofdwacht van de Schutterij

Veel leden van de schutterij sympathiseerden met de patriottenbeweging. De Haarlemse schutterij had vanaf 1765 zijn intrek genomen in een markant pand op de Grote Markt op de hoek met de Smedestraat (nummer 17). Het stadhuis van Haarlem was in dit oudste stenen gebouw van de stad gevestigd voordat men het stadsbestuur in 1370 verhuisde naar de huidige plek aan de Grote Markt.  In de tweede helft van de 18de eeuw nam de schutterij van Haarlem er zijn intrek en richtte het in als wachtgebouw. Van oorsprong functioneerde de schutterij als een stadswacht waarin burgers op vrijwillige basis hun stad of dorp beschermden en de openbare orde bewaakten. Zij stonden aan de kant van het gezag, omdat de officieren door het bestuur werden benoemd.

Alleen leden van de gegoede burgerij kwamen in aanmerking voor hoge functies in de schutterij. Met name in de zeventiende en achttiende eeuw waren officiersfuncties erebaantjes die vooral goed waren voor het zakelijke en sociale netwerk. Ten tijde van de ingebruikname van de Hoofdwacht, waren de schutterijen ingedut en waren de leden over het algemeen prinsgezind. De schutters waren nauwelijks meer uitgerust en getraind voor hun militaire taak.

Het gebouw van de Hoofdwacht op de Grote Markt van Haarlem

Het gebouw van de Hoofdwacht op de Grote Markt van Haarlem Foto: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Afgeschaft en heropgericht

In het laatste kwart van de 18de eeuw  kregen de schutterijen onder aanvoering van de patriottische beweging een kortstondige impuls. Met de oprichting van zogenaamde ‘exercitiegenootschappen’ (of Vrijkorpsen)  – waarvan iedereen lid kon worden – hadden deze groepen een belangrijk aandeel in de patriottistische machtsgreep. Ondanks deze belangrijke rol, werden de schutterijen (tezamen met het gildesysteem) onder invloed van de Franse gelijkheidsidealen met de komst van de Bataafse Republiek afgeschaft en opgenomen in Bataafs volksleger.

Na verdrijving van de Franse troepen in 1813 werden de schutterijen heropgericht. Bij wet werd bepaald dat 3% van de mannen tussen de 18 en 50 jaar schutterplichtig was. Deze nieuwe stedelijke schutterijen golden ter ondersteuning van de nationale militie. Tijdens de Tiendaagse Veldslag waarin Willem I de Belgische Opstand poogde neer te slaan, maakte het beroepsleger gebruik gemaakt van dienstdoende schutters. Ondanks deze inzet van de schutters, werkte de aloude organisatie van burgerwachten niet meer in het nieuwe Koninkrijk. De taken van de schutters werden overgenomen door het Corps de Maréchaussée, in 1814 door koning Willem I opgericht.

Politiestructuur krijgt vorm

De schutterijen zouden nog zo’n honderd jaar bestaan voordat zij in 1901 officieel werden opgeheven, maar feitelijk was hun handhavende rol in het nieuwe Koninkrijk uitgespeeld. Deze werd overgenomen door de marechaussée en de gemeentepolitie, beiden opvolgers van de Franse ‘gendarmerie’. De marechaussée vormde een onderdeel van de landmacht en was vooral in het zuiden van Nederland en België actief. De eenheden werden ondergebracht in kazernes. In het noorden van het land was het de gemeentepolitie die de orde moest bewaken in de steden. Op het platteland werd deze taak gedaan door de veldwachter. Van een goed uitgerust apparaat was nog lang geen sprake: Amsterdam kende in 1815 slechts 52 politiemensen op een bevolking van 150.000 inwoners!

Door de inwerkingtreding van de Gemeentewet in 1851 werden stadsbesturen belast met de plaatselijke politiezorg. In 1858 werd het Korps Rijksveldwacht opgericht voor de verzorging van de politiezorg op nationaal niveau. De politiestructuur kreeg toen min of meer haar huidige vorm: de lokale politiezorg werd uitgeoefend door de Gemeentepolitie en de Gemeenteveldwacht die beiden onder het ministerie van Binnenlandse Zaken vielen; de rijkspolitietaak kwam terecht bij het Korps Rijksveldwacht – onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie – én de Koninklijke Marechaussee, ressorterend onder het Ministerie van Defensie.

Publicatiedatum: 25/10/2013