De zeevarende buidel

'Het is 15 januari 1634. In het raadhuis te Graft zijn de burgemeesters en regeerders bijeen. Zij luisteren aandachtig naar Claes Pietersz Blaauw, de oudste van allen. Hij spreekt vol vuur. Hij is bezield door zijn eigen denkbeeld: één verzekeringsmaatschappij voor de hele visserij.'

Het ontwerp voor dit fonds kent nagenoeg geen tegenstanders en wordt aangenomen. Het doel van de buidel of buul, zoals het in die tijd genoemd wordt, is het beschermen van de Grafter vissers tegen kapers op de Noordzee. In die tijd behoorden Noordeinde, Oost- en West-Graftdijk ook bij Graft. Uit de zeevarende buidel wordt het losgeld voor gevangenschap betaald. Maar ook de vergoeding voor buitgemaakte schepen. Alsmede de zorg voor de vrouwen van de gevangenen en voor weduwen en wezen van verongelukte zeelieden.

Voor 30 stuivers verzekerd

De zeemannen kunnen zich tegen betaling verzekeren. De inleg is afhankelijk van de reis.
Voor een reis ter haringvangst of naar Engeland, Frankrijk, Schotland, Ierland, Hamburg of één van de Scandinavische landen, is de inleg per man 30 stuivers. Voor doorgaande reizen wordt de inleg verdubbeld. Vrachtvaarders moeten voor elke reis van haven tot haven 30 stuivers betalen.
Vanuit Graft varen er ook vrij veel zeelieden naar Brazilië en West-Indië. Ook zij betalen 30 stuivers. Maar wie gevangen wordt genomen in West-Indië krijgt geen uitkering. Wie naar Portugal, Spanje en Triëst vaart, wordt ‘niet in de buidel begrepen’.
Er zijn veel zeevaarders in Graft. Dat is te zien aan de baten en kosten over de jaren 1634-1640.
De buul heeft een ontvangst van 8.440 guldens, 5 stuivers en 8 penningen. De uitgaven in deze periode bedragen 7.857 gulden.

De zeevarende buidels houden zich in die eerste jaren overwegend bezig met de verzachting van het lot van de gevangenen. Ze betalen ‘costgeld’ voor hen waardoor hun betere ‘mondcost’ wordt verschaft.
In een akte van 1649 wordt vermeld dat de dorpen Graft, Oost-en West-Graftdijk en Noordeinde zich scheiden. Elk dorp krijgt vanaf die tijd een afzonderlijke buidel met een reglement op maat per dorp.
De laatste inleg door een zeeman wordt genoteerd in de buul van West-Graftdijk. Voor zijn reis naar Groenland (1860) en voor reizen naar Zuid-Amerika en Batavia (1861, 1862 en 1868).

Regionaal Archief Alkmaar, Reproductie van een gravure, anoniem. 1979 naar een 18e eeuws origineel

Reproductie van een gravure, 1979 naar een 18e eeuws origineel. Regionaal Archief Alkmaar

Visserij verdwijnt, de buidel blijft

Als de visserij op het Schermereiland in de 18e eeuw langzamerhand verdwijnt, verliezen de zeevarende buidels hun oorspronkelijke betekenis. Desondanks blijven ze bestaan. Het gewonnen kapitaal (want er is behoorlijk op verdiend) wordt belegd in landerijen, effecten en staatsleningen. De rente komt ten goede aan uitkeringen voor de nooddruftigen. In de strenge winter van 1963 worden brandstofuitkeringen gegeven.

Penningmeester snoept de buidel op

De zeevarende buidels bestaan anno 2011 nog steeds. De buul van Graft is niet zo rijk, en nooit rijk geweest ook. Noordeinde en West-Graftdijk zitten er warmpjes bij. Die van Oost-Graftdijk is van geen betekenis meer, maar bestaat nog wel. De buidel van De Rijp heeft een treurig einde. Rond 1950 zat er nog slechts 400 gulden in kas. De toenmalig penningmeester snoepte dat op. Om ontdekking te voorkomen, verbrandde hij alle stukken van de buul, waaronder papieren van vóór 1580!
Eén van de buidelvoogden van Noordeinde grinnikte toen het verhaal hem te ore kwam: ‘Zo zijn die Rijpers …’

Publicatiedatum: 08/11/2011