De Waterwolf

Na 1250 stroomden grote delen van het lage westen van Nederland onder water. Door de vele overstromingen was achter de duinen een landschap ontstaan met talrijke kleine meren, alleen nog door stroken land van elkaar gescheiden.

In het gebied van de huidige Haarlemmermeerpolder lagen aan de noordzijde het Spieringmeer, in het midden het Oude Haarlemmermeer en in het zuiden het Leidse Meer. De meren hadden in 1250 een gezamenlijke oppervlakte van 9.110 hectare (aldus J.C. Ramaer, zie hieronder; 1 hectare is 10.000 vierkante meter).

Stormvloeden en groei van het meer

Tijdens enkele grote stormvloeden in 1472 en 1477 ontstond een brede open verbinding tussen het Oude Haarlemmermeer en het Leidse Meer, waardoor één groot meer werd gevormd, het Haarlemmermeer. Niet alleen door zware stormen kalfden de oevers van die meren steeds verder af. Ook de turfwinning die na de 14e eeuw op steeds grotere schaal plaatsvond heeft in grote mate hiertoe bijgedragen. In het jaar 1508 werden de laatste restanten van de landbrug die deze grote waterplas en het Spieringmeer van elkaar scheidden weggespoeld. Later dreigde ook de landverbinding die het Haarlemmermeer van het IJ scheidde verloren te gaan, maar met veel moeite kon in de jaren na 1509 de Spaarndammerdijk hersteld worden, waardoor het Haarlemmermeer uiteindelijk geen deel ging uitmaken van de zeearm het IJ, die in verbinding stond met de Zuiderzee.

Kaart van Rijnland en Amstelland, voor 1639.

Kaart van Rijnland en Amstelland, voor 1639. Uit de Atlas Maior van Joan Blaeu, 1665. Beeld: Wikimedia Commons.

Verschillende opvattingen: Bolstra

Een van de eersten die zich bezighielden met de uitbreiding van het Haarlemmermeer was Melchior Bolstra, landmeter en cartograaf in dienst van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Naast Bolstra hielden Jan Adriaanszoon Leeghwater en Jacob Bartelszoon Veeris in de 17e eeuw zich ook al bezig met de uitbreiding van het Haarlemmermeer in hun droogmakingsplannen (beide plannen dateren uit 1641). In 1740 maakte Bolstra een kaart die toonde hoe het Haarlemmermeer sinds 1531 uit vier afzonderlijke meren zou zijn gegroeid. Volgens hem zou er ook een Oude Meer geweest zijn, dit in overeenstemming met het Nieuwe Meer bij Amsterdam. Dat was een onjuiste veronderstelling: het Oude Meer heeft nooit bestaan.

Bolstra nam de groei van het meer als volgt waar:

In 1531 bedroeg de totale oppervlakte van de verschillende meren 5.600 hectare.

In 1591, toen de meren één groot meer vormden, was de totale oppervlakte toegenomen tot 10.570 hectare.

In 1647 bedroeg zij al 14.450 hectare, in 1687 15.410 hectare, en in 1745 16.600 hectare.

Verschillende opvattingen: Ramaer

De wetenschapper J.C. Ramaer (1852‑1932) betwistte dat in zijn boek ‘De omvang van het Haarlemmermeer’ (1892). Hij vond deze cijfers voor de eerste twee eeuwen onjuist. Volgens hem vormde het meer in 1531 al een geheel.

In 1472 bedroeg het Spieringmeer volgens hem 1.590 hectare, het Oude Haarlemmermeer 6.650 hectare en het Leidse Meer 3.460 hectare. Verder geeft hij voor de jaren van 1544 tot 1848 met onderbrekingen de totale oppervlakte van het (nieuwe) Grote Haarlemmermeer. In 1544 bedroeg de totale oppervlakte van het meer 13.220 hectare en in 1848 16.850 hectare.

Volgens dit laatste cijfer was het Haarlemmermeer meer dan drie keer zo groot als de door Bolstra gegeven oppervlakte van 5.600 hectare in het jaar 1531. Ramaer vond de vermelding van de in de loop der tijden verdwenen dorpen Nieuwerkerk, Rijk en Vijfhuizen zwaar overdreven, want – zo meldt hij – het waren slechts onbeduidende gehuchten.

Auteur: Hans Dolman, Historisch Museum Haarlemmermeer.

Publicatiedatum: 01/07/2013

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.