De bedreigde buurtwinkel

Vlees bij de slager, melk bij de melkboer en koekjes bij de kruidenier. Tot ongeveer vijftig jaar geleden ging je voor de dagelijkse boodschappen niet naar de supermarkt, maar naar de winkels in de wijk. Elke buurtwinkel had zijn eigen specialiteit en vaste klantenkring. Bovendien hadden de winkels een belangrijke sociale functie. De winkel was een ontmoetingsplaats en de mensen achter de toonbank waren goed op de hoogte van de wereld en wandel van de buurtbewoners.

Tegenwoordig lijkt ‘de kleine middenstand’ met uitsterven bedreigd. Buurtwinkels kunnen niet op tegen de grote ketens. Is de kleine winkelier van vroeger helemaal van het toneel geveegd? Of is er enkel sprake van verandering? Het Amsterdam Museum zoomt in op de geschiedenis van de Amsterdamse buurtwinkel met een website en een tentoonstelling.

Bloeiperiode van de buurtwinkel

De bloeiperiode van de buurtwinkel was rond het jaar 1900. Er waren toen ook veel straatventers en markten, maar dankzij de groei van steden en welvaart ontstond er een snelle stijging van het winkelaanbod. In Amsterdam kwam er in wijken als de Pijp en de Oosterparkbuurt op elke hoek wel een winkeltje. Achter de toonbank stond meestal een echtpaar uit de middenstand, een klasse tussen de arbeiders en de burgerij in. De winkeliers waren eigen baas en konden zelf hun werktijden bepalen. Maar ze maakten vaak lange dagen. Hard werken was het credo en kinderen moesten gewoon meehelpen. Het leven stond in het teken van de winkel, mede doordat de familie vaak boven de winkel woonde.

Bakkerij Hartog, Ruyschstraat 56 te Amsterdam, 1986

Bron: www.buurtwinkels.amsterdammuseum.nl

Bakkerij Hartog, Ruyschstraat 56 te Amsterdam, 1986Bakkerij Hartog, Ruyschstraat 56 te Amsterdam, 1986

Bedreiging door grootwinkelbedrijf

Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd de kleine winkelier bedreigd door verschillende vormen van het grootwinkelbedrijf. Warenhuizen zoals de HEMA (Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam, opgericht in 1926) en het filiaalbedrijf Albert Heijn (1887) konden op grote schaal inkopen en gezamenlijk reclame maken. Hierdoor konden ze producten voordeliger aanbieden. Ook waren er al vanaf 1856 verbruikscoöperaties; winkels waar je lid van kon worden. Deze verenigingen wilden arbeiders goede waar bieden tegen een redelijke prijs. ETOS, wat staat voor Eendracht, Toewijding, Overleg en Samenwerking is hier een voorbeeld van. De winkeliers vochten terug met eigen organisaties om gezamenlijk in te kopen, zoals het in 1928 opgerichte Sperwerverbond.

Economische crisis?

Tijdens de economische crisis in de jaren dertig versnelde de doorstroom van nieuwe winkels. Er kwamen nieuwe bij, maar veel gingen ook ten onder. De oorlogstijd in de jaren veertig was geen slechte periode voor de kleine winkelier. Door de schaarste waren prijzen minder belangrijk. Voorraden konden met aardig wat winst verkocht worden. Voor joodse winkeliers was het natuurlijk een ander verhaal: die moesten hun winkels sluiten en werden, als ze niet onderdoken, afgevoerd naar concentratiekampen.

‘De koophandel’, Jodenbreestraat te Amsterdam, 1930

Bron: collectie stadsarchief Amsterdam

‘De koophandel’, Jodenbreestraat te Amsterdam, 1930‘De koophandel’, Jodenbreestraat te Amsterdam, 1930

Zelfbediening en supermarkt

Na de Tweede Wereldoorlog ging het bergafwaarts met de zelfstandig gevestigde winkelier. Met name de kruideniers hadden het zwaar. In 1948 deden de Amerikaanse fenomenen ‘zelfbediening’ en ‘supermarkt’ zijn intrede. Dirk van den Broek was de eerste Amsterdammer die met deze nieuwe verschijnsels experimenteerde. Met succes. Klanten kozen voor lagere prijzen boven persoonlijk contact. De buurtwinkel werd voor veel mensen het adres voor de vergeten boodschappen.

De moderne buurtwinkel

Vandaag de dag zijn buurtwinkels meestal gespecialiseerde winkels met exclusieve producten. Of ze hebben een exotisch karakter: de winkel op de hoek is nu vaak een Turkse bakker. In grote steden startten veel immigranten buurtwinkels om producten te verkopen uit het land van herkomst. Maar de traditionele kruidenier met zijn toonbank en weegschaal behoort bijna definitief tot het verleden. De koek is op.

Oud Hollands snoepwinkeltje, Tweede Egelantiersdwarsstraat te Amsterdam, 2010

Bron: www.buurtwinkels.amsterdammuseum.nl

Oud Hollands snoepwinkeltje, Tweede Egelantiersdwarsstraat te Amsterdam, 2010Oud Hollands snoepwinkeltje, Tweede Egelantiersdwarsstraat te Amsterdam, 2010

Melk en Zuivelhandel P.J. Hartog, Oostzaanstraat te Amsterdam, 1968

Bron: www.buurtwinkels.amsterdammuseum.nl

Melk en Zuivelhandel P.J. Hartog, Oostzaanstraat te Amsterdam, 1968Melk en Zuivelhandel P.J. Hartog, Oostzaanstraat te Amsterdam, 1968

Publicatiedatum: 28/02/2011