Daar is de orgelman…

We kunnen rustig stellen dat Alkmaar van oudsher een haat-liefdeverhouding heeft met draaiorgels. Al in de negentiende eeuw zijn in de Alkmaarse Courant regelmatig ingezonden brieven te lezen van mensen die zich ergerden aan de afgrijselijke klanken van de orgels. Ook waarschuwden zij voor verkeersgevaarlijke situaties, omdat paarden zouden schrikken van de orgelklanken. Toch pasten de draaiorgels in het Alkmaarse stadsbeeld; ze brachten vermaak en gezelligheid in de stad.

Italiaanse orgelbouwer

Rond 1850 bouwde de Italiaan Ludovico Gavioli het eerste draaiorgel. De Belg Leon Warniers begon een kwart eeuw later een draaiorgelverhuurbedrijf in Amsterdam. De eerste buikorgeltjes waren gemakkelijk mee te dragen door de orgeldraaiers. Gaandeweg werden de orgels groter en was er een paard voor nodig om het orgel te kunnen verplaatsen. Weer later werd het instrument zelfs gemotoriseerd.

Muziek uit papier

In eerste instantie werd de muziek voortgebracht door een houten cilinder met uitstekende pinnen, die de ventieltjes van het orgel aanstuurden. Rond 1890 kwam het kartonnen orgelboek met gaatjes. Later werden deze boeken vervangen door rollen van papier. Door te draaien aan het wiel, bracht de orgelman de rol en dus de muziek in beweging. Tegenwoordig zijn de meeste draaiorgels computergestuurd en wordt de muziek voortgebracht door zogenaamde midi-bestanden.

Draaiorgelman Bram de Wilde (links) en zijn vrouw Trijntje Krijgsman voor hun draaiorgel ‘De 54 Bursens’ in 1934.

Rechts (vermoedelijk) hun huisgenoot Ab Ploeger en Bram de Wilde jr. Beeld: Regionaal Archief Alkmaar, foto: P. Delemarre.

Draaiorgelman Bram de Wilde (links) en zijn vrouw Trijntje Krijgsman voor hun draaiorgel 'De 54 Bursens' in 1934.Draaiorgelman Bram de Wilde (links) en zijn vrouw Trijntje Krijgsman voor hun draaiorgel ‘De 54 Bursens’ in 1934.

Mansen

Orgelmannen waren markante figuren. Vaak hadden ze een grote baard en vele tatoeages op hun gespierde armen. Vanaf de treeplank van hun orgel, dat getrokken werd door een paard, konden zij al draaiend aan het orgel het paard en het instrument besturen. Ondertussen hielden zij ook nog toezicht op het ‘mansen’, het innen van de beloning met de centenbak. De bekendste orgelman van Alkmaar was Bram de Wilde. In 1871 werd Abraham de Wilde geboren in Schagen en hij kwam in 1900 vanuit Den Helder naar Alkmaar. Hij woonde aan de Schelphoek en door het feit dat hij één been miste, was hij een opvallende verschijning.

Geringe verdiensten

Met zijn orgels ‘Het Stekie’, ‘Het Puntkappie’, ‘Tubantia’, ‘De 54 Bursens’ en ‘De Hollandse Mortier’ bracht Bram de Wilde veertig jaar lang de muziek onder het volk. Toch zag hij zijn inspanningen niet terug in zijn inkomsten. In 1919 nam een lezer van de Alkmaarse Courant het op voor de orgelman: “Deze man, die het Alkmaarsche publiek Vrijdags en Zaterdags vergast met zijn melodieën, die man verkeert nog steeds in ’n tijd van 1819 en vroeger. Immers, toen gaf iedereen een cent en dat is zoo gebleven tot op dezen tijd. Niemand denkt er aan om wat meer te offeren.”

Spelen voor het politiebureau

Toch zijn er altijd orgelmannen geweest die er brood in zagen, vooral als er kermis in de stad was. Al ruim voordat de kermis begon, stelden ze zich met hun draaiorgels op in een lange rij voor het politiebureau, om vervolgens om beurten een nummer ten gehore te brengen. Achter het raam luisterden de politieagenten als een onzichtbare jury om te bepalen welke orgelmannen een vergunning zouden krijgen om op de kermis te mogen spelen. Als de keuze gemaakt was, kwam de hoofdagent naar buiten met een pot lijm en een stuk papier met het gemeentezegel. Dit papier werd bij wijze van vergunning duidelijk zichtbaar op het orgel geplakt.

Grote drukte bij de draaiorgelkeuring voor het politiebureau aan de Sint Laurensstraat omstreeks 1950.

Beeld: Regionaal Archief Alkmaar.

Grote drukte bij de draaiorgelkeuring voor het politiebureau aan de Sint Laurensstraat omstreeks 1950.Grote drukte bij de draaiorgelkeuring voor het politiebureau aan de Sint Laurensstraat omstreeks 1950.

‘Het Politieagentje’ van De Jongh

De bloeiperiode van het draaiorgel lag tussen 1910 en 1940. Door de opkomst van de radio en de grammofoon konden mensen zelf de muziek in huis halen en nam de interesse voor het draaiorgel af. Toch probeerde orgeldraaier De Jongh in de jaren vijftig zijn dagelijks brood te verdienen met zijn kleine draaiorgel ‘Het Politieagentje’. Ook voor hem was het geen vetpot. Op een drukke ochtend haalde hij in het centrum hoogstens 200 koperen centen op; niet meer dan twee gulden dus. Daar moest hij dan de huur van het orgel (30 gulden per week) van betalen. Aangezien zijn lichamelijke conditie te wensen over liet, was hij bovendien genoodzaakt een paard aan te schaffen. Dit kostte hem per week 25 gulden aan voer. Daarnaast onderhield hij van dit geld ook nog eens het gezin van zijn broer. Alleen spelen op de toeristische kaasmarkt leverde nog wat op, want daar kwamen veel mensen op af. Op die dagen haalde De Jongh tussen de 100 en 200 gulden op.

Eerbetoon

In januari 2009 overleed de Schagense kermisexploitant Cok Braak. Als een laatste eerbetoon werd met zijn kermisorgel ‘El Toro’ een aantal liederen voor hem gespeeld tijdens de uitvaartplechtigheid. Dat geeft maar weer aan dat het draaiorgel niet alleen voor een vrolijke noot kan zorgen, maar dat het ook aanwezig kan zijn tijdens de moeilijke momenten in het leven…

Auteur: Sander Wegereef

Publicatiedatum: 22/08/2011