Bronstijd in het Gooi

Het Gooi was de eerste plek in Noord-Holland waar sporen van bewoning uit de bronstijd (2.200-800 v. Chr.) werden gevonden. Daar hoefde niet voor gegraven te worden, omdat op verscheidene plaatsen in het landschap dat gevormd was in de voorlaatste ijstijd, grafheuvels duidelijk zichtbaar waren.

Vroege onderzoekers van de grafheuvels

Al in 1855 trokken enkele heuvels op de Westerheide de aandacht van een van Hilversums notabelen, notaris Albertus Perk. Samen met de plaatselijke veldwachter groef hij een van de heuvels af en daarbij kwamen er vele (32!!) begravingen tevoorschijn. De oudste waren echte begravingen waar een compleet lichaam aan de aarde was toevertrouwd, vele andere (latere) waren crematieresten die in een pot waren bijgezet in de flank van de heuvel. Zonder dat de notaris het wist, had hij al de overgang waargenomen van begraven naar cremeren en het niet meer opwerpen van een ‘eigen’ heuvel. De Westerheide bleek namelijk vol te liggen met kuilen met daarin een urn met asresten. Vanaf ongeveer 1.100 v. Chr. is op de Westerheide een compleet urnenveld ontstaan. Deze ontdekking leidde zelfs tot het officiële etiket ‘urnenveldencultuur’, die zou duren tot in de midden ijzertijd (plm. 500 v. Chr.).

Portret van Albertus Perk.

Collectie Museum Hilversum.

Portret van Albertus Perk.Portret van Albertus Perk.

Hilversumcultuur

De vondsten rondom Hilversum trokken de aandacht van bijna alle oudheidkundigen, die vooral het gevonden aardewerk wilden classificeren. De beroemde Deense archeoloog Christian Jürgensen Thomsen (1788 –1865) had aangetoond dat aardewerk in de door hem gepresenteerde drie tijdvakken (steentijd, bronstijd en ijzertijd) een eigen verschijningsvorm had. Het aardewerk van Hilversum leek erg veel op de grove potten die in het zuiden van het land, maar ook in België waren gevonden. Men kon ze toen nog niet precies dateren, omdat de C14-datering van koolstofdeeltjes nog niet bestond. Men vermoedde een datering in de vroege ijzertijd, maar verder indelen was toen nog onmogelijk. Latere studies (Van Giffen, 1930), brachten aan het licht dat het Gooise aardewerk toebehoorde aan een in West-Europa wijdverbreide bronstijdcultuur, die voor het eerst in Wessex in Engeland was gevonden en daarom dus ‘Wessexcultuur’ wordt genoemd. Toen werd nog gedacht aan Engelse volkeren die naar de Lage Landen waren geëmigreerd. Professor Willem Glasbergen is de uiteindelijke naamgever van het ‘Hilversumaardewerk’, omdat hij vond dat er redenen genoeg waren het als een aparte Nederlandse groep te zien (Glasbergen, 1954).

De verspreiding van het Hilversumaardewerk

Typisch genoeg is Hilversum een van de meest noordelijke vindplaatsen in Nederland en in de rest van Noord-Holland was het aardewerk alleen bekend uit Velsen, totdat in 2004 in Schagen een kleine nederzetting aan het licht kwam die vrijwel uitsluitend kenmerkend Hilversumaardewerk opleverde. Deze laatste vindplaats is wat vreemd, omdat in oostelijk West-Friesland uitgebreide bronstijdbewoning is aangetoond, die helemaal geen verband houdt met de Hilversumcultuur. De nederzetting bij Schagen staat waarschijnlijk niet alleen, maar is vermoedelijk maar kort bewoond geweest, totdat de invloed van de zee zo groot werd dat er voor boeren geen plaats meer was in het landschap.
 
Frans Diederik

Dit verhaal maakt onderdeel uit van de campagne voor het nieuwe archeologiecentrum Het Huis van Hilde.

Publicatiedatum: 06/10/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.