Blokhuizen

Blokhuizen waren in de late middeleeuwen kleine kasteeltjes van de lagere adel. Het is ook de naam van een nu vrijwel verdwenen buurtschap ten zuiden van Schagen. Een historisch-geografisch onderzoek onthult het verband.

Detail van een zestiende-eeuwse manuscriptkaart.

Op de plaats van het voormalige blokhuis zijn enkele aaneen gebouwde huizen te zien. Zoals de tekenaar het heeft geschetst, lijken de huizen voorzien te zijn van zogenaamde ‘speklagen’ (lichtgekleurde lagen natuursteen) tussen de baksteen – iets wat alleen voorkomt bij belangrijke gebouwen.

Detail van een zestiende-eeuwse manuscriptkaart.Detail van een zestiende-eeuwse manuscriptkaart.

Op oude kaarten

Blokhuizen, gelegen aan de oude dijk de ‘Zijdewind’ tussen Schagen en Niedorp, komt voor op de oudste kaarten van de omgeving, uit het midden van de zestiende eeuw. Daar staan aan de weg vijf aan elkaar vast gebouwde huizen van steen – dat is al vreemd in het buitengebied. Een andere kaart, die heel schetsmatig is, laat twee huizen zien die door een water met elkaar zijn verbonden. Lange tijd werd daarom gedacht dat ‘de blokhuizen’ heel dicht bij elkaar waren gelegen.

Booronderzoek en archiefonderzoek

Uitgebreid booronderzoek door de Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland kon echter geen licht in de zaak krijgen. De reden waarom werd besloten eerst het bronnenonderzoek stevig ter hand te nemen. Vele tientallen oude ‘transportakten’ werden naast elkaar gelegd om zo inzicht te krijgen wie op een bepaald moment in de geschiedenis welke stukken land in bezit had en hoe deze stukken land werden genoemd. Daarnaast werd gekeken naar het middeleeuwse landschap en de ontwikkeling daarvan.

De oude verkaveling.

Te zien zijn sporen van kreken uit 2000 v. Chr., de meren Witsmeer en Het Oude Dijkje en de gegraven vaart daartussen die werd bewaakt door de twee blokhuizen.

De oude verkaveling.De oude verkaveling.

Een teruggevonden waterloop

Het middeleeuwse verkavelingpatroon laat regelmatige stroken zien die van noord naar zuid lopen. In dit regelmatige patroon zitten flink wat verstoringen die het gevolg zijn van overstromingen uit de twaalfde eeuw, maar tevens bleek er schuin door de verkaveling heen een nauwelijks meer zichtbare waterloop van west naar oost te gaan. Waar ging die naar toe? De ontdekking dat er aan de Zijdewind al vanaf het begin van de veertiende eeuw sprake was van een redelijk belangrijke sluis gaf aanzet tot de gedachte dat beide einden van de teruggevonden waterloop bewaakt werden door middel van een blokhuis. Het westelijke blokhuis was gelegen waar de vijf huizen stonden en waar zich ook de sluis bevond; het oostelijke blokhuis lag bijna twee kilometer verder aan de rand van een in de zestiende eeuw nog open water. Hiervandaan was het eenzelfde afstand naar de Zuiderzee. De ontdekking was dus een bevaarbare route van zee naar de Witsmeer, die westelijk van de Zijdewind was gelegen en waarvandaan het mogelijk was om door te varen naar Alkmaar. Wie van deze route gebruik wilde maken, moest tol betalen voor de sluis en die tolinkomsten waren blijkbaar aanzienlijk genoeg om de route met twee kleine kastelen te bewaken.

Wie waren de bezitters van de blokhuizen?

De oudste vermelding van de sluis bij de blokhuizen stamt uit 1319 en wijst uit dat de zeer aanzienlijke familie Van Egmond grote delen van het gebied in leen of bezit had. Het kan bijna niet anders dan dat niemand minder dan de graaf van Holland hun dit leen had gegeven. Maar hoe kwam dit grote gebied in handen van de Hollandse graaf? West-Friesland had immers pas in 1289 vrede gesloten met Holland en het is onwaarschijnlijk dat de waterverbinding in de luttele jaren tussen 1289 en 1319 gegraven was. Waarschijnlijker is dat lokale, West-Friese adel de bezittingen moest afstaan en dat de graaf het beheer over deze gebieden vrijwel direct in handen gaf van hem loyale Hollandse adellijke geslachten.

Enkele skeletten zoals die op het kerkhof van Geddingmore zijn aangetroffen.

Hier ligt een moeder met haar kleine kind tussen de benen. Geddingmore is waarschijnlijk overstroomd in 1170 of 1196.

Enkele skeletten zoals die op het kerkhof van Geddingmore zijn aangetroffen.Enkele skeletten zoals die op het kerkhof van Geddingmore zijn aangetroffen.

Het verdwenen Geddingmore

Bij archeologisch onderzoek in 1983 was gebleken dat de plek bij het westelijke blokhuis al bewoond was in de achtste eeuw en dat bij de nederzetting ook een kerk en een kerkhof behoorden. Van dit kerkhof werden indertijd een kleine tweehonderd skeletten opgegraven voor later onderzoek. Zoeken in de archieven wees toen uit dat het hier zeer waarschijnlijk gaat om Geddingmore, een dorp waar het klooster van Egmond in de twaalfde eeuw aanzienlijke bezittingen had. Bij de eerste vermelding van deze inkomsten staat ook de beschrijving van het dorp vermeld als gelegen tussen Notlevenes, Harecherenord, Overewinkel en Brunwere. Mogelijk zijn deze plaatsen identiek aan De Vennik, Zandoord, Winkel en De Weere. Het dorp is waarschijnlijk in 1170 of 1194 tijdens een van de grote overstromingen verloren gegaan.

Valkenlanden

Verloren gegaan en verlaten land dat niet werd opgeëist werd automatisch geclaimd door de graaf, maar dat kon voor de dertiende eeuw zeker niet de graaf van Holland zijn. Floris de Vijfde eiste echter wel alle onbewoonde gebieden op als ‘Valkenlanden’. Slechts een enkel perceeltje in het gebied van Geddingmore draagt in de zeventiende eeuw nog de naam ‘Valkenbosch’.

Auteur: Frans Diederik

Dit verhaal maakt onderdeel uit van de campagne voor het nieuwe archeologiecentrum Het Huis van Hilde.

Publicatiedatum: 29/11/2011