We spreken Jan Niessen in Amersfoort, waar hij actief is in de plaatselijke historische vereniging Flehite en tevens stadsgids is. “Wij beschouwen Van Campen als een Amersfoorter, hoewel hij in Haarlem is geboren. In 1995 is er voor het laatst iets over hem verschenen, ter gelegenheid van een tentoonstelling in het Paleis op de Dam. Daar hoorde een fantastisch boek bij, dat echter nogal wetenschappelijk is. Vandaar dat ik iets voor een groter publiek wilde maken, met veel illustraties.”
Jacob van Campen was van goede komaf, zo schrijft Jan Niessen. Hij werd geboren in een Amsterdams geslacht van regenten. Zijn moeder was Haarlemse en stamde af van de Hollandse bestuurder en financier Willem Eggert, naar wie een kapel in de Amsterdamse Nieuwe Kerk is vernoemd. Eggert had fors bijgedragen aan de kerk die op een boomgaard achter zijn huis is gebouwd.

Jan Niessen is actief in de historische vereniging Flehite in Amersfoort, werkt daar als stadsgids en schreef recent een boek over schilder-architect Jacob van Campen. Foto: Arnoud van Soest.
Oudemannenhuis
Jacobs vader, Pieter van Campen, was een koopman, die opgroeide in Amsterdam, maar vanwege politiek godsdienstige conflicten naar Haarlem uitweek. Daar werd hij lid van de schutterij. Pieter was als bouwheer betrokken bij het Oudemannenhuis, dat nu bekend is als Frans Hals Museum. Jacob, die aanvankelijk tot schilder werd opgeleid, kreeg op jonge leeftijd dus al een idee van wat er allemaal bij zo’n bouwproces komt kijken. Toen zijn vader in 1615 overleed, werd oom Cornelis zijn voogd. Cornelis introduceerde hem in ‘Amsterdamse bestuurlijke en kunstzinnige kringen’. Zo kwam Jacob aan zijn eerste opdrachten.
Al op zijn twaalfde ging Jacob in de leer bij een onbekend gebleven meester-schilder en in 1614, hij was inmiddels 18 jaar, werd hij als meester-schilder ingeschreven in het Haarlemse Sint-Lucasgilde, een beroepsvereniging van schilders. Het vermoeden is dat hij nog een studiereis naar Italië heeft gemaakt om inspiratie op te doen.
In 1626, Van Campen was toen dertig, erfde hij van zijn moeder landgoed Randenbroek in Amersfoort. Begin jaren dertig (van de zeventiende eeuw) ging hij er ook wonen, breidde het landgoed uit en maakte er een lusthof van. Bekende kunstenaars als Joost van den Vondel en Rembrandt van Rijn kwamen bij hem op bezoek. Hij ontving er ook kunstenaars met wie hij samen aan zijn bouw- en decoratieprojecten werkte.

Jacob van Campen (1595-1657) werd in 1596 in Haarlem geboren, maar ging uiteindelijk op het landgoed van zijn familie in Amersfoort wonen. Prent door
Burgerweeshuis
Vanuit Amersfoort reisde Jacob regelmatig naar Amsterdam en Haarlem. In Amsterdam ontwierp hij de gevel van de nieuwe meisjesvleugel van het Burgerweeshuis, waar later het Amsterdam Museum in zou trekken.
Ook ontwierp hij rond 1637 een nieuwe schouwburg aan de Amsterdamse Keizersgracht. Hij bedacht een half ovale zaal met galerijen en loges die onderbroken werden door Korintische pilasters (rechthoekige, platte zuilen ter versiering). In de nissen kwamen borstbeelden van goden en muzen te staan. Joost van den Vondel was ‘razend enthousiast’ over de schouwburg en schreef ‘We bootzen ’t groote Rome na in ’t kleen.’
Op 3 januari 1638 werd de schouwburg ingewijd met de première van Vondels toneelstuk Gijsbrecht van Amstel, dat eeuwenlang in Amsterdam zou worden opgevoerd, zij het in een andere schouwburg, want in 1772 brandde van Campens schouwburg tot de grond toe af.
Hoe Van Campen architect is geworden, hij was immers tot schilder opgeleid, is niet helemaal duidelijk, maar Jan Niessen heeft wel een vermoeden. “Hij heeft zich het vak waarschijnlijk zelf aangeleerd. Pieter Post en Salomon de Bay uit Haarlem zijn ook als schilder begonnen en zijn later gaan bouwen. Ze konden goed tekenen, in perspectief schilderen en hadden gevoel voor verhoudingen. En wat ze schilderden, gingen ze ook bouwen.”

Salomon de Savery beeldde in 1658 het podium in Van Campens schouwburg aan de Keizersgracht af. Helaas werd de schouwburg in 1772 door een brand verwoest Afbeelding uit het besproken boek.
Strak en symmetrisch
Jacob van Campen bouwde in een stijl die met Hollands classicisme wordt aangeduid. Jan Niessen legt het zo uit: “De bouwstijl in de zeventiende eeuw week af van de middeleeuwse, gotische bouwstijl. Dat vonden ze maar pompeus: te veel hoeken en kapelletjes, te veel beelden en opsmuk. Van Campen hield meer van strak en symmetrisch; kijk maar naar het Paleis op de Dam.”
Jacob van Campen was overigens niet alleen actief in Amsterdam. Voor de rijke koopman Carl du Moulin ontwierp hij de vlak bij Haarlem gelegen buitenplaats Elswout, waarvan alleen de koetshuizen en het poortgebouw nog resten.
Het was zijn vriend en dichter Constantijn Huygens die hem naar Den Haag haalde en introduceerde bij Johan Maurits van Nassau-Siegen, een achterneef van stadhouder Frederik Hendrik. Johan Maurits was een militair, die in kunst en wetenschap was geïnteresseerd. Hij gaf Van Campen de opdracht om het Mauritshuis te ontwerpen, dat sinds 1822 museum is. Later zou Van Campen ook paleizen voor stadhouder Frederik Hendrik en zijn vrouw Amalia van Solms decoreren. De Oranjezaal van Huis ten Bosch, waar koning Willem-Alexander en koningin Máxima nu wonen, is daar een indrukwekkend voorbeeld van.
Van Campen decoreerde de Oranjezaal met tientallen schilderijen en beschilderingen, die verwezen naar de Grieks-Romeinse mythologie. Ze waren in feite één grote lofzang op het leven van Frederik Hendrik. Twaalf schilders, waaronder Van Campen zelf, werkten aan dit project. Het was de laatste opdracht die hij voor de stadhouder zou uitvoeren, want hij had het inmiddels druk gekregen met andere projecten.

Het ontwerpen van de gevel van het Coymanshuis aan de Keizersgracht 177 in Amsterdam was één van de eerste opdrachten die Jacob van Campen mocht uitvoeren. Zijn voorkeur voor strak en symmetrisch is hier al zichtbaar. Tekening, 1624. Collectie Stadsarchief Amsterdam: tekeningen en prenten, afbeeldingsbestand
Nieuwe Kerk
In 1649 gaf het Haarlemse stadsbestuur Van Campen de opdracht om de bouwvallige en krappe katholieke Sint Annakapel te verbouwen tot een protestantse, Nieuwe Kerk. De toren die Lieven de Key er in 1613 had laten bouwen, moest blijven staan. Wat het decoreren van kerken betreft was er voor van Campen weinig eer aan te behalen. Protestantse kerken werden doorgaans soberder ingericht dan katholieke.
Orgels daarentegen boden een mogelijkheid om kerken meer kleur te geven. In Alkmaar werd van Campen gevraagd mee te werken aan het herbouwen van het hoofdorgel in de Grote of Sint-Laurenskerk. Orgelbouwer Hagerbeer nam de orgelpijpen en de blaasbalg voor zijn rekening, Van Campen zorgde voor de decoratie. Hij liet de orgelpijpen zó oprijzen als waren het klassieke zuilen en hij versierde het orgel met kinderfiguurtjes, festoenen (decoratieve slingers van bladeren, bloemen of vruchten) en het wapen van Alkmaar.
Van Campen ontwierp ook de fraaie orgelluiken, die door Caesar van Everdingen uit Alkmaar werden beschilderd. Op die luiken werd de oudtestamentische triomftocht van koning Saul uitgebeeld. Van Everdingen was er maar liefst 547 dagen zoet mee en in 1644 kon het grootste orgel van Europa in gebruik worden genomen.

Noordoostzijde van de Haarlemse Nieuwe Kerk, die in de bouwvallige, katholieke Annakapel verving en voortaan als protestantse kerk door het leven zou gaan. Afbeelding uit het besproken boek.
Geen toren
Van Campen schakelde Hagerbeer in 1645 ook in bij de herbouw van het door brand verwoeste hoofdorgel in de Nieuwe Kerk aan de Dam in Amsterdam, de kerk waar Jacobs voorvader Willem Eggert was begraven. De bestuurders van de Nieuwe Kerk vroegen hem ook een toren te ontwerpen, die de hoogste van het land moest worden. Zo konden ze laten zien dat Amsterdam de belangrijkste stad van het land was. Voor de funderingen gingen maar liefst 6363 houten palen de grond in. Daarop werd een onderbouw van baksteen en natuursteen gemetseld, maar daar bleef het bij, want het nieuwe stadsbestuur trok de steun voor dit nogal ambitieuze project in. In 1652 werd de bouw van de toren gestaakt; verder dan de onderbouw is het niet gekomen.
Maar het grootste gebouw dat Jacob van Campen heeft ontworpen was toch wel het imposante stadhuis (nu Paleis) op de Dam, waarmee het Amsterdamse stadsbestuur wilde laten zien hoe belangrijk de hoofdstad voor de economie en de wereldwijde handel was geworden. In 1648 gingen daarvoor maar liefst 13659 houten heipalen de grond in.

De Dam met het stadhuis in aanbouw. In 1860 tekende Reinier Craeyvanger een schilderij in waterverf na dat Jan Lingelbach in 1656 maakte. Collectie Atlas Splitgerber/Stadsarchief Amsterdam, Afbeeldingsbestand
Rome en Jerusalem
Naast de Nieuwe Kerk verrees op de Dam dit nieuwe bestuurscentrum, waarvoor Van Campen zich liet inspireren door Italiaanse bouwmeesters en de oudtestamentische vorst Salomo, die ooit in Jeruzalem op de tempelberg een tempel en een paleis had laten bouwen. Die verwijzingen naar Rome en Jeruzalem moesten Amsterdam allure geven.
Waar Van Campen in het Haagse Mauritshuis toezicht hield op het decoreren van de Oranjezaal, ontwierp hij in Amsterdam zowel het gebouw als een groot deel van de beeldhouwwerken. Voor de uitvoering schakelde hij beeldhouwers in, die bij voorbeeld het beroemde bronzen beeld op het dak van het paleis maakten van Atlas die het hemelgewelf torst.
Architectuur en decoratie vormden één geheel en het nieuwe stadhuis werd al snel het achtste wereldwonder genoemd, ‘een zo groot en rijk gedecoreerd stadhuis stond er nergens in de wereld,’ aldus Jan Niessen.
Van Campen kreeg hulp van de Amsterdamse stadsarchitect Daniël Stalpaert en schakelde de beroemde Antwerpse beeldhouwer Artus Quellinus in, die een werkplaats leidde, waar zo’n veertig beeldhouwers maar liefst vijftien jaar aan beelden werkten die gangen, zalen en toegangsbogen van galerijen zouden verfraaien. Zogenaamde ‘frontons’, van twintig meter lang en vele meters hoog domineerden de voor- en achtergevel van het paleis. Een fronton is de bekroning van een gevel, zoals vaak door de Romeinen en Grieken werden toegepast.

Gerrit Berckheyde schilderde in 1672 het stadhuis op de Dam in Amsterdam. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-34.
Doodvonnissen
Het nieuwe stadhuis was nodig, omdat het oude te klein was geworden voor de snel groeiende hoofdstad. En dus ontwierp Van Campen een gebouw dat 80 meter breed en 56 meter diep was. Twee binnenplaatsen voorzagen alle belangrijke vertrekken van daglicht. De toren met koepel stak nog eens 25 meter boven de 30 meter hoge gevel uit. Een windvaan in de vorm van een koggeschip symboliseerde de positie van Amsterdam als Europa’s belangrijkste havenplaats en stapelmarkt.
Het stadhuis was toen méér dan een plek waar je je kind kon aangeven of je paspoort kon vernieuwen. Achter de sobere ingangsgalerij bevond zich een plek, Vierschaar geheten, waar doodvonnissen werden uitgesproken, waarbij, volgens oud gebruik, publiek aanwezig mocht zijn, zij het achter een hek. Op één van de reliëfs spreekt de wijze koning Salomo recht. Vier vrouwen die hun handen voor hun ogen houden, of waarvan de handen zijn vastgebonden, symboliseren boete en berouw.

De Vlaamse beeldhouwer Artus Quellinus maakte dit bronzen beeld van Atlas die het wereldgewelf torst. Het beeld staat op het dak van het Paleis op de Dam in Amsterdam. Meestergieter Hemony goot het brons. Foto uit het besproken boek.
Burgerzaal
Maar één van de hoogtepunten van Van Campens ontwerp is toch wel de 34 meter lange en 25 meter brede Burgerzaal, met galerijen die toegang gaven tot gemeentelijke diensten. Die zaal had namelijk een marmeren vloer met ingelegde, cirkelvormige kaarten van het oostelijk en westelijk halfrond, plus een sterrenhemel. Amsterdam wilde zich immers graag presenteren als het centrum van de wereld, wat heet, als centrum van het universum.
Een verschil van mening met uitvoerend architect Stalpaert leidde er mogelijk toe dat Van Campen eind 1654 uit Amsterdam vertrok. Stalpaert maakte de klus af en een half jaar later kon het stadhuis feestelijk in gebruik worden genomen. Van Campen was daar overigens niet bij. Waarom de twee ruzie kregen is niet helemaal duidelijk. Niessen: “Niemand weet wat er tussen die twee is voorgevallen. Vermoedelijk is Stalpaert iets afgeweken van zijn ontwerp en dat wilde Van Campen niet.”
Van Campen gunde zichzelf geen rust, schrijft Niessen in zijn boek. Terwijl hij nog bezig was met de Oranjezaal in Den Haag en het Amsterdamse stadhuis, nam hij steeds meer nieuwe opdrachten aan. Hij schilderde en gaf links en recht adviezen. In Amsterdam adviseerde hij het stadsbestuur bijvoorbeeld over de afvoer van het water van de Amstel.

De Burgerzaal van het Paleis op de Dam is 34 meter lang en 25 meter breed en heeft een marmeren vloer met ingelegde, cirkelvormige kaarten van het oostelijk en westelijk halfrond, plus een sterrenhemel. Een stenen beeld van Atlas kijkt er op uit. Fotograaf Wim Ruigrok. Copyright: Koninklijk Paleis Amsterdam.
Het Laatste Oordeel
Ook maakte hij voor het nieuwe Amsterdamse stadhuis een schilderij, Het Laatste Oordeel, dat er nooit zou komen te hangen. Mogelijk had dat te maken met zijn plotselinge vertrek uit de stad. Tijdens de grote Van Campententoonstelling in 1995 werd het weliswaar in het Paleis op de Dam getoond, en het Koninklijk Huis wilde graag dat het daar zou blijven hangen, maar de Amersfoortse Sint-Joriskerk, waar het schilderij nu hangt, wilde het niet afstaan.

Jacob van Campen schilderde ‘Het laatste oordeel’ in 1654, dat in de Sint-Joriskerk in Amersfoort is te zien. Afbeelding uit het besproken boek.
In het boek dat Jan Niessen over Jacob van Campen schreef, gaat het voornamelijk over zijn werk, maar nauwelijks over zijn zielenroerselen. Dat komt omdat van de schilder-architect haast geen brieven bewaard zijn gebleven, als hij ze al geschreven heeft. Niessen: “Hij was een rijke man, die van het leven genoot. En hij was geniaal in het uitvoeren van grote projecten, waarvoor hij de juiste mensen inschakelde. Maar hoe hij als mens was, weten we niet. Hij is altijd ongetrouwd gebleven en is niet zo netjes met zijn huishoudster omgesprongen. Zij heeft 14 jaar voor hem gewerkt zonder daar geld voor te krijgen. En dan liep er nog een kind rond dat Alexander heette. Dat was een naam die in die tijd veel aan buitenechtelijke kinderen in de hogere kringen werd gegeven. Maar of het zijn kind was, dat blijft speculeren.”
Jacob van Campen bleef tot het eind van zijn leven werken. Hij overleed op zijn Amersfoortse landgoed Randenbroek in het najaar van 1657, op 61-jarige leeftijd.

Het boek ‘Jacob van Campen (1596-1657), Schilder en architect’ wordt zondag 12 april van 15-17 uur gepresenteerd bij boekhandel De Vries Van Stockum in de Jacobijnestraat 7 in Haarlem. De presentatie is voor iedereen toegankelijk. Aanmelden kan via evenementen@
Het rijk geïllustreerde boek is voor € 19,90 te bestellen bij Stichting Flehite Publicaties. ISBN 978-90-8354-996-5.
Auteur: Arnoud van Soest
Publicatiedatum: 02/04/2026
Vul deze informatie aan of geef een reactie.