Amsterdams tweede openbare speeltuin

Op de huidige plek van Het Marnix was van 1881 tot in de eerste helft van de twintigste eeuw de tweede openbare speeltuin van Amsterdam gevestigd. Opgericht door liefdadige ondernemers die de Jordaanjeugd ‘van de straat’ wilden houden. Een van de jonge bezoekers was de latere schrijver/onderwijzer Theo Thijssen. Hij was niet overdeeld enthousiast, want hier heersten de wetten van de jungle…

Het Marnix

Het MarnixHet Marnix

Beter dan dat “ellendige dobbelen”

De Openbare Speeltuin No.2 op het Marnixplein werd op woensdag 24 augustus 1881 geopend door de heer M. Brandt Corstius van de Vereeniging tot Vereedeling van het Volksvermaak. No. 1 in het Tweede Weteringplantsoen was toen al een jaar open (en bestaat nog steeds!). Initiatiefnemer van beide projecten was Nicolaas Tetterode van suikerraffinaderij Spakler & Tetterode, de grote man van Volksvermaak. Tetterode hoopte zo een eind te maken aan “het ellendige dobbelen op straat en andere ongezonde en onbeschaafde straatvermaken”.

De eerste speeltuin was zo’n succes, dat al na enkele maanden besloten werd een tweede te beginnen, op een gemeenteterrein ‘buiten de Zaagpoort’, op het Marnixplein. De Zaagpoort was weliswaar al veertig jaar eerder afgebroken, maar als plaatsaanduiding bleef de naam nog lang in gebruik. Openbare Speeltuin No. 2. was open van mei tot en met september tussen vijf uur ’s middags en acht uur ’s avonds, voor jongens en meisjes van zeven tot twaalf jaar. In 1884 werden 1400 bezoekers per speeldag geteld! Oude plattegronden laten zien dat de speeltuin lag waar van 1955 tot 2003 het Marnixbad stond, inmiddels vervangen door Het Marnix, een modern sportcentrum.

Wrange herinnering van Theo Thijssen

Ondanks alle goede bedoelingen was deze speeltuin lang niet voor iedereen een kinderparadijs, zoals blijkt uit Theo Thijssens jeugdherinneringen ‘In de ochtend van het leven’ (1941):

“De speeltuin lag aan de Marnixstraat bij ’t eind van de Westerstraat; er was een houten hek omheen; er stonden tussen de populierenbomen schommels en wippen en een zweefmolen, en ik was er dikwijls langsgekomen en had al die toestellen bewonderd en in m’n onnozelheid gedacht daar heerlijk op te kunnen spelen wanneer ik een speeltuinkaartje had. Maar de narigheid begon al met het ‘aanlopen’. Dan moesten we tegen het hek in een vierdubbele rij gaan staan; dat werd altijd vechten om je plaats te behouden en toch drongen er steeds nog jongens vóór je. Was je eindelijk binnen, dan stond daar een meneer te schreeuwen. ‘Oppassers!’ riep de meneer en een stuk of tien jongens kwamen naar hem toe; die kregen een rode band om hun arm waarop ‘oppasser’ stond gedrukt. De oppassers liepen de tuin in, ieder naar de afdeling waar hij oppasser over moest zijn. Wij stonden al klaar in onze stoet om te starten en zo hard mogelijk naar het toestel te we hadden uitgekozen om mee te beginnen. Ik was geen doetje en ik kon hard lopen en menigmaal was ik de eerste bij de hoge schommel. Maar dat gaf niets, de oppasser was al bezig zelf van de schommel te genieten, helemaal in z’n eentje, en liet ons darren.”

Publicatiedatum: 05/02/2011