Oneindig Noord-HollandBeleef de geschiedenis van jouw provincie
NL | EN

‘Amsterdammers doen het zelf wel’

Gouden Eeuw, slavernij, Provo en krakers, een uitzonderlijk breed scala aan onderwerpen passeert de revue in de nieuwe inrichting van de Schatkamer van het Amsterdamse Stadsarchief.

Het Amsterdamse Stadsarchief zit nu al tien jaar in gebouw De Bazel. “Het was een mooie gelegenheid om de permanente tentoonstelling in de Schatkamer opnieuw in te richten.” Erik Schmitz, die zich daarmee heeft beziggehouden, vertelt dat het archief niet alleen een aantal mooie en bijzondere archiefstukken laat zien, maar nu ook de verhalen vertelt die daarbij horen. Twaalf verhalen in even zovele vitrines.

De Dam in 1656, tekening Reinier Craeyvanger uit ca. 1860 naar een schilderij van Jan Lingelbach uit 1656. Beeld: Stadsarchief Amsterdam. Links is het nieuwe stadhuis – nu het Koninklijk Paleis – in aanbouw. In het midden staat de in 1806 afgebroken Waag. Op het belangrijkste plein van de stad was het altijd druk.

Die vitrines bevinden zich in de Schatkamer, de voormalige ‘safe deposit’ van de Nederlandsche Handelsmaatschappij, die de Bazel in de Vijzelstraat heeft laten bouwen. Het was ooit één grote kluis, waar Amsterdammers waardevolle bezittingen in bewaring konden geven als ze een lange reis gingen maken. Er waren kleine kluisjes, die nu als tentoonstellingsruimte worden gebruikt en er waren grote kluizen, waar nu regelmatige wisselende animaties worden vertoond. Voor je de kluis betrad, moest je eerst langs dikke kluisdeuren, maar nu het een tentoonstellingsruimte is geworden staan ze uitnodigend open.

Jacob Olie, Weteringschans met het Paleis voor Volksvlijt, maart-april 1892. Op de voorgrond staan heistellingen voor de bouw van de huizen Weteringschans 120-124. Beeld: Stadsarchief Amsterdam.

Bouwputten

Conservator Erik Schmitz en assistent-conservator Kim Hensbergen leiden de verslaggever rond. We beginnen op de bovenverdieping, die geheel aan fotografie is gewijd. De eerste vitrines zijn gevuld met foto’s van Jacob Olie en George Breitner. Zowel Olie als Breitner keken verschillend naar de stad, legt Erik uit. “Breitner laat de bouwputten en de achterkanten van de stad zien, terwijl Olie liever nieuwe gebouwen fotografeert, om te laten zien dat het Amsterdam goed gaat.”

Een goed voorbeeld daarvan is een foto van de Oudezijds Achterburgwal die rond 1894 een dicht bij de haven gelegen achterbuurt was, vol logementen en prostitutie. “Zoiets zou Olie dus nooit fotograferen. Hij zette liever het Paleis voor Volksvlijt op de foto, want dat stond voor vooruitgang. Op de voorgrond zie je heistellingen, omdat er aan de Weteringschans nieuwe, moderne huizen werden neergezet, huizen waar heel Amsterdam trots op was.”

Een andere vitrine toont portretten van Studio Merkelbach, waar spraakmakende Nederlanders zich lieten vereeuwigen, van Mata Hari tot koningin Wilhelmina. De studio zat bovenin het Hirschgebouw, aan het Leidseplein, en heeft bestaan van 1913 tot 1969. En zo wandelen we verder: langs de eerste kleurenfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog, langs de uitbreiding van Nieuw-West, langs de hippies in het Vondelpark, langs een bakfietsmoeder in de Jordaan, om uiteindelijk te belanden bij een prachtige luchtfoto van een vers IJburg (oostelijk havengebied) dat nog maar net boven het water van het IJmeer is uitgekropen. “Kijk, het zand is nog vers, bijna intens geel.”

Jacob Olie, Kade op het Prinseneiland, gezien naar de Nieuwe Teertuinen, 1890. Beeld: Stadsarchief Amsterdam. Links is de windas van teerhandel ‘De Roovos’ nog te zien, die werd gebruikt voor het ophijsen van de teertonnen uit de schuiten in de Prinseneilandsgracht.

Aanfloepend licht

We lopen de trap af naar de benedenverdieping, waar in twaalf vitrines de geschiedenis van Amsterdam wordt verteld. Pas als Kim voor de eerste vitrine gaat staan, floept het licht aan. “Het zijn kwetsbare stukken. Als je zo’n oud boek constant in het licht zet, gaan de pagina’s vergelen en wordt de inkt minder leesbaar. Vandaar dat we stukken elk jaar wisselen.”

In de vitrine waar ze nu voorstaat ligt één van de oudste boeken van het archief. In dat boek werd op het stadhuis bijgehouden welke regels er in de stad golden, wie er zoal was veroordeeld, en waarom. Zo weten we dat ene Elbert Bouwenszoon, schuitenvoerder van beroep, op 25 juli 1548 (Sint Jacobsdag), mee heeft gedaan met de jaarlijkse matpartij tussen lui van de Oude Zijde (het gebied rondom de Oude Kerk) en lui van de Nieuwe Zijde (het gebied rondom de Nieuwe Kerk). Er was met stenen gegooid, er waren gewonden gevallen en de schuitenvoerder werd veroordeeld tot elf weken opsluiting op bier en brood. Dat lijkt geen straf, maar dat bier werd vermoedelijk geschonken omdat water in die tijd niet te drinken was.

Dat Amsterdam altijd een stad van migranten is geweest, blijkt uit het feit dat in de Gouden Eeuw één op de drie bewoners niet in de stad was geboren. Rembrandt kwam uit Leiden, Vondel kwam uit Duitsland. De handelsstad maakte zo’n bloei door, dat Amsterdam moest uitbreiden, en daar danken we de wereldberoemde grachtengordel aan.

In 1883 vond op het Museumplein de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling plaats. Beeld: Stadsarchief Amsterdam. Op deze houtgravure van E.A. Tilly, naar een tekening van J.C. Greive, is het tentoonstellingsterrein in vogelvlucht te zien.

Slavenschepen

Dat de Gouden Eeuw Amsterdam (en de rest van het land) grote welvaart heeft gebracht, weerhoudt het Stadsarchief er niet van ook de minder vrolijke kanten te laten zien. Dan hebben we het over de slavernij, en de rol die Amsterdamse kooplieden daarin hebben gespeeld. Erik: “Amsterdammers investeerden in slavenschepen en vaak hadden ze ook belangen in plantages. De ruwe suiker die daar werd geproduceerd, kwam weer naar Amsterdam, waar er suiker en stroop van werd gemaakt.”

In één van de vitrines is een woordenlijst uit 1771 te zien, die is samengesteld door de toenmalige gouverneur van Suriname. Hij wilde zijn beschrijving van Suriname compleet maken door ook de taal van de tot slaaf gemaakten vast te leggen. “Veel van die woorden worden nu ook gebruikt in de Amsterdamse straattaal,” vertelt Kim. “Een voorbeeld daarvan is ‘lobi’, wat liefde betekent. Rapper Typhoon gebruikte het als titel voor zijn album.”

Is een woordenlijst nog onschuldig, indringender wordt het als je in dezelfde vitrine een boek uit 1765 ziet liggen, waarin notaris Joost van den Ven verklaringen optekende van het mishandelen van tot slaaf gemaakten op een slavenschip. Bemanningsleden hadden gezien hoe de opperstuurman en de opperstuurmeester de tot slaaf gemaakten bont en blauw hadden geslagen, ‘niet of zij menschen maar of zij beesten waaren.’

“Notarissen hadden destijds een bredere taak dan nu,” weet Erik. “Ze namen verklaringen op die later bij eventueel een rechtszaak konden worden gebruikt. Dat er zoveel matrozen getuigden komt, volgens mij, omdat degene die in zo’n slavenschip investeerde constateerde dat een deel van zijn handel niet goed was aangenomen, als ik het maar even zo mag formuleren. Zo’n mishandeling was dus schadelijk voor de winst.”

En daarom zijn archiefstukken zo belangrijk, voegt hij er aan toe. “Je kunt er informatie uit halen die je niet in andere bronnen vindt. Van de meeste reizen met slavenschepen weten we namelijk niets, maar we weten wel dat tot slaaf gemaakten vaak slecht werden behandeld. Dat maakt zo’n verklaring uniek, omdat je ineens een inkijkje krijgt in wat zich aan boord van zo’n schip afspeelde.”

Register van opgenomen kinderen in het Aalmoezeniersweeshuis, 1806, Archief van het Aalmoezeniersweeshuis. Beeld: Stadsarchief Amsterdam. Op 7 januari 1806 werd Cecelia Kroon, acht maanden oud, aangetroffen achter het weeshuis met een briefje waarop stond: ‘met vijge in de mondt is het schreuwen van dit kind te stillen’

De koek is op

Handel mag Amsterdam dan voorspoed hebben gebracht , maar eind achttiende, begin negentiende eeuw is de koek op. Engelsen kapen Hollandse schepen, waardoor er verliezen worden geleden. De stad verarmt en als een symbool daarvan stort 13 april 1822 op Oostenburg een deel van het oude VOC-pakhuis met donderend geraas in. Erik: “Ook het leven van gewone mensen begint in te storten. Mensen die in de Gouden Eeuw nog wel rond konden komen, redden het gewoon niet meer. En als ze het echt niet meer weten, leggen ze hun kind te vondeling.” Rond 1800 worden zo’n twee tot drie kinderen per dag op straat achtergelaten. Kinderen die uiteindelijk in het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht 436 terecht komen, waar later het kantongerecht in zal trekken.

Soms hadden kinderen die te vondeling waren gelegd een doorgesneden speelkaart bij zich. De ouders hoopten altijd nog dat ze nog weer eens in staat waren hun kind op te halen. Met de andere helft van die speelkaart konden ze dan laten zien dat het echt hun kind was.

Maar het meest curieus vindt hij een briefje dat in de kleding van een vondeling was geschoven. Daarin wordt uitgelegd dat het acht maanden oude kind veel huilt, maar stil te krijgen is door haar – bij wijze van speen – op een vijg te laten sabbelen. Het briefje is één van Eriks lievelingsdocumenten. “Dichter kun je met zo’n briefje niet bij zo’n periode komen. Het laat zien dat mensen zó wanhopig zijn dat ze hun kind te vondeling leggen. Geschiedenis gaat vaak over bestuurders en belangrijke mensen, maar wat gewone mensen doormaakten lees je zelden…”

Groenteverkopers op de Albert Cuyp. Beeld: Stadsarchief Amsterdam

Vrolijke hippies

We eindigen de rondleiding bij een foto die Cor Jaring in 1967 maakte van vrolijke hippies in het Vondelpark. Kim mag er graag bij wegdromen. “Het lijkt me een hele fijne tijd om in te hebben geleefd als ik deze foto van gelukkige mensen in het Vondelpark zie.”
Na de hippies kwamen de Provo’s, die worden omschreven als ‘een groepje jongeren dat zich afzette tegen de bestaande orde.’ Jongeren die de starre en vaak onhandig opererende autoriteiten van die tijd graag mochten provoceren om daar als de onschuld zelve over berichtten in hun clubblad: ‘Politie zette ons zomaar in de cel.´

Alhoewel Provo zich al snel weer ophief, waren ze wel een inspiratiebron voor de eerste krakers, wat in 1975 bijvoorbeeld in de Nieuwmarktbuurt leidde tot rellen tegen grootschalige ingrepen in de oude stad. De metro kwam er wel, de grootschalige ingrepen kwamen er niet.
Dit soort acties pasten goed bij het imago van Amsterdam als stad van ‘vrijheid en eigenzinnigheid’, wat de vraag doet rijzen in welke mate dat rebelse karakteristiek is voor de ‘Vrijstaat Amsterdam’.

Erik denkt van wel. “Amsterdam is een stad zonder klassieke wortels; er hebben geen Grieken of Romeinen gewoond. De stad heeft nooit mythische stichters of adel gehad. Het was al heel vroeg een handelsstad, die steeds zelfstandiger en zelfbewuster werd. Amsterdammers hebben al heel lang het gevoel dat ze het zelf hebben gedaan. Daar past een beweging als Provo zeker in.”

De Schatkamer van het Amsterdamse Stadsarchief is gratis toegankelijk. www.amsterdam.nl/stadsarchief.

Auteur: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 24/03/2017

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.