Amsterdam en water, deel 1

Het bestaansrecht van Amsterdam hangt al acht eeuwen af van water. Om dit water te temmen en er gebruik van te maken werd het land met een dijkensysteem beschermd tegen het wilde IJ. Op de plaatsen waar rivieren uitmondden in het IJ werden dammen aangelegd, waar dorpen ontstonden als Spaarndam, Zaandam en Amsterdam.

Het laatste groeide uit tot een wereldstad die intensief heeft geprofiteerd van zowel het water van het IJ als het water binnen de Dam. Om haar waterhuishouding op peil te houden werd een ingenieus systeem van sluizen aangelegd. De Haarlemmersluis is daar één van.

De eerste stoomboot op het IJ.

De eerste stoomboot op het IJ.

Haat-liefdeverhouding

Amsterdam heeft sinds eeuwen een haat-liefdeverhouding met het water. Zonder de directe toegang tot het IJ en daarmee de Zuiderzee, de Noordzee en de wereldzeeën zou de stad nooit zijn uitgegroeid tot één van de belangrijkste spelers in de Europese en mondiale handel in de zeventiende eeuw. Tegelijkertijd leverde het water veel problemen op. De eerste bewoners hadden zich namelijk gevestigd in een zeer moerassige omgeving. Deze moerassen waren een walhalla voor muggen en ongedierte. Bovendien waren zij zeer moeilijk begaanbaar en de verbindende dijken waren dan ook van levensbelang voor het contact met het achterland. Tegelijkertijd zorgden het water en de drassige grond dat vijandige legers wel twee keer nadachten voordat ze de stad belegerden. Want bij dreigend gevaar kon het stadsbestuur het land onder water zetten en was er geen doorkomen meer aan.

Het begin van waterbeheer

De natte omgeving en ligging onder zeeniveau waren een gevaar voor de stad. Regelmatig braken de dijken dan ook door en stroomden grote delen van het land onder. Hier moest wat aan gedaan worden. De dijken werden versterkt en opgehoogd. Maar er werd nog een andere oplossing gevonden. Elke keer dat de stad werd uitgebreid werden de sloten dieper uitgegraven tot grachten en werd de vrijgekomen grond gebruikt voor ophoging en aanplemping. Zo kwam de stad steeds hoger te liggen, en werd de kans op structureel droge voeten groter.

Verzilting en vervuiling

Soms waren dit echter vieze voeten. De directe verbinding van het binnenwater van de stad met het zoute IJ zorgde voor verzilting en vervuiling. Met deze problemen kampten de bewoners van de stad al vanaf de veertiende eeuw. De stad probeerde dit op te lossen door de grachten met regelmaat door te spoelen. Door middel van het openen en sluiten van sluizen kon dit doorspoelen op een natuurlijke wijze, door het gebruik van eb en vloed, plaatsvinden. Het doorspoelen van de grachten werd echter steeds lastiger, het brakke water stroomde minder goed terug naar het IJ, waardoor de grachten vuiler werden en dichtslibden. De bouw van de Grimnessesluis en de Osjessluis waardoor twee boezems ontstonden, één aan de Oude en één aan de Nieuwe Zijde, zorgde ervoor dat het vuile grachtenwater van het schone Amstelwater werd gescheiden.

Een ingewikkelde zaak

Elke nieuwe uitbreiding van de stad had tot gevolg dat het watersysteem aangepast moest worden. Met de stadsuitbreidingen vanaf 1550 werd het nog ingewikkelder, er werden twee boezems toegevoegd aan het systeem die ook weer van elkaar gescheiden werden met sluizen. Ten slotte bestonden na de aanleg van de grachtengordel en de Jordaan zeven gescheiden systemen in de stad, die er echter niet voor konden zorgen dat de waterkwaliteit verbeterde. Het verversen van het stadswater moest anders.

Lees hier Amsterdam en water, deel 2 voor het vervolg op dit verhaal.

Publicatiedatum: 13/06/2011