Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen

Amsterdam in de negentiende eeuw was een stad van buurten en wijken. Buurtjes van een paar straten of bepaalde hoeken binnen een wijk konden al gemeenschapjes op zich vormen die een eigen stempel droegen. In het dagelijks leven vond men echter verschillen tussen buurten minder belangrijk dan tussen standen of godsdienstige gezindten.

Sommige stadsdelen, zoals de deftige hoofdgrachten, de dichtbevolkte Jordaan met zijn vele bedrijfjes, waar een kwart van de stedelijke bevolking woonde, de al even intensief bewoonde Jodenbuurt, de groene en dunbevolkte Plantage, de Oostelijke en Westelijke Eilanden, het gebied van de werven en scheepstimmerlieden, en de buurten buiten de Singelgracht met hun tuinen of molenparken hadden als geheel een herkenbaar eigen karakter.

Een dame stapt in haar toeslede.

Een dame stapt in haar toeslede.Een dame stapt in haar toeslede.

Hoge en lage status

De bronnen geven overigens de indruk dat tijdgenoten, als zij de stedelijke gemeenschap beschreven, verschillen tussen standen en kerkgenootschappen wezenlijker vonden dan die tussen stadswijken. Er zijn door historici al heel wat pogingen gedaan om die verschillen in beeld te brengen. Daarbij werd doorgaans vooral gelet op de economische machtsverhoudingen. De tijdgenoot ordende evenwel in standen, maatschappelijke lagen of groepen met een hogere of lagere status. Die status vormde een combinatie van vermeende of getoonde welstand, beroepssoort, levensstijl en familieachtergrond, zoals een traditionele positie binnen de stedelijke gemeenschap, of juist een nog maar recent verworven aanzien.

Status en welstand

Economische macht was binnen deze standswaardering belangrijk, maar niet van doorslaggevende betekenis. De suiker- en gasfabrikant C. de Bruyn en zijn zonen bijvoorbeeld waren zeer geslaagde ondernemers die een grote staat voerden. Maar zij behoorden daarmee geenszins tot de ‘eerste kringen’, omdat zij nieuwkomers waren en fabrikanten lager stonden dan kooplieden en bankiers. Bij predikanten, juristen en andere leden van de geleerde stand kon de maatschappelijke status hoger zijn dan hun welstand. Beoefenaars van de vrije beroepen kwamen voor onder de bewoners van de duurste én van de goedkoopste huizen. Sommige apothekers waren zeer welvarend, maar anders dan advocaten en notarissen werden zij door de elite tot de burgerstand gerekend. Ook onder neringdoenden bestonden aanzienlijke statusverschillen. Binnen de standen ordende de tijdgenoot zijn omgeving in kringen, sociëteiten of coterieën, groepen die het zich konden permitteren onder elkaar te verkeren en dat zo te houden.

Standen, klassen, statusgroepen

In grote trekken onderscheidden de negentiende-eeuwers drie of vier standen. Een driedeling bestond uit ‘aanzienlijken’ of ‘eerste stand’, ‘midden- of burgerstand’, en ‘geringere standen’ of ‘het gemeen’. Werd er meer naar de verschillende functies geoordeeld, dan sprak men liever van ‘rijke patriciërs, die gewoonlijk tot regeringsposten verkoren worden’, gevolgd door kooplieden, burgers en handwerkslieden. Ook het moderne stratificatieonderzoek combineert klasse en stand en komt doorgaans uit op een vierdeling: een laag van aanzienlijken, daaronder de welgestelde en ontwikkelde burgerij, dan de kleine burgerij of middenstand en ten slotte de arbeiders of armen. Maar de maatschappelijke orde deed zich in de dagelijkse omgang veel meer voor als een fijn craquelé van statusgroepen. Die nuances werden aangeduid met behulp van een groot aantal kwalificaties: aanzienlijk, groot, deftig, fatsoenlijk, beschaafd, ontwikkeld, nijver, eerzaam, eenvoudig, nederig, gering, minder, laag.

Auteur: Remieg Aerts

Bron

Dit is een bewerking van een artikel op www.onsamsterdam.nl

Publicatiedatum: 21/07/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.