Inlandse artsen in het Binnengasthuis

Meer dan een eeuw geleden, in 1904, maakte een wetswijziging het mogelijk dat Indonesische artsen zich in Nederland verder konden bekwamen aan de universiteit. Niet lang daarna meldden de eersten zich aan bij de Universiteit van Amsterdam. Tot hun grote verrassing ontdekten die pioniers dat "de Hollanders in Holland meer sympathie ons inboezemden, dan zij die in Indië waren", aldus 'dokter djawa' en journalist Abdul Rivai in het Koloniaal Weekblad.

Indonesische studenten

Beeld: Ons Amsterdam

Indonesische studentenIndonesische studenten

Abdul Rivai

De Sumatraanse Abdul Rivai kwam in 1899 naar Nederland met het voornemen aan een universiteit te studeren. Bij de minister van Koloniën, de liberaal J.Th. Cremer, had hij het verzoek ingediend om met vrijstelling van de eerste examens meteen te worden toegelaten tot het theoretisch examen dat vervolgens tot de begeerde titel van Europees arts zou leiden. Begeerd omdat bijvoorbeeld een Europees arts in gouvernementsdienst voor hetzelfde werk ongeveer zes keer meer verdiende dan zijn niet in Europa opgeleide Indonesische collega, de ‘dokter djawa’ of ‘inlands arts’.

Bezwaren

Minister Cremer raadpleegde vervolgens de Indische regering, die er ernstige bezwaren tegen maakte. Vooral gouverneur-generaal Rooseboom was er fel op tegen. De artstitel zou volgens hem “in hoofdzaak gelden [als] eene tegemoetkoming aan de ijdelheid van den Inlander”. Ook de Europese artsen werkzaam in de streek Deli op Sumatra keerden zich “tegen het regeeringsvoorstel in zake gelijkstelling doctors djawa met Europeesche geneeskundigen ook na afgelegd verlicht artsexamen, gegrond uit oogpunt van nationaliteitsbelang maar ook van beroepsbelang”.

De wet wordt aangepast

Dit weerhield Cremer er echter niet van actie te ondernemen. De minister zag ondanks de bezwaren toch wat in Rivai’s plannen verzocht het ministerie van Binnenlandse Zaken om de wet aan te passen ten gunste van de Indonesische arts. Wat meespeelde in Cremers welwillendheid was het tekort aan geneeskundigen in Nederlands-Indië, dat zelfs na het plaatsen van dure advertenties in bladen in andere Europese landen nauwelijks kon worden aangevuld. Een tweede reden was dat er al Indonesische moslims voor een studie waren vertrokken naar Constantinopel. De vrees was dat die met radicale denkbeelden zouden terugkeren. Door de universiteiten in Holland open te stellen, werd er tegenwicht geboden aan die moslimdreiging.

De wet werd gewijzigd en Abdul Rivai meldde zich aan bij de Universiteit van Amsterdam (UvA). Hij studeerde af op 13 juni 1908, maar behaalde toch niet als allereerste Indonesiër het universiteitsdiploma in Europa. Die eer was voorbehouden aan Asmaoen, telg uit een Javaans adellijk geslacht, die vlak na de wetswijziging naar Nederland was gereisd en een jaar eerder afstudeerde.

Indonesische studenten

In 1907 waren er in heel Nederland twintig Indonesiërs die een studie volgden aan een kweekschool, hogeschool of universiteit. Zij werden ongetwijfeld op straat nagestaard; gekleurde mensen waren er nauwelijks. Maar tegelijkertijd werd hun exotische verschijning in studentenkringen en elders als hoogst interessant beschouwd. Alle Indonesische medisch studenten aan de UvA hadden de vooropleiding genoten aan de School tot Opleiding van Inlandse Artsen (Stovia), gelegen in de wijk Weltevreden in Batavia – het huidige Djakarta. Het is de hoogste opleiding die Indonesiërs in eigen land in die tijd konden volgen.

Ontwakend zelfbewustzijn

Veel Indonesische leerlingen gingen een prominente rol spelen in het ontwakend Indonesisch zelfbewustzijn. In 1908 werd op de Stovia de eerste vereniging met nationalistische aspiraties opgericht: Boedi Oetomo (Het Hoger Streven). Relatief veel (ex-)Stovianen gingen vanaf dat moment een belangrijke rol spelen in de nationalistische beweging van Indonesië, ook een aantal van de studenten die in Amsterdam studeren. Terug in Indië trad Abdul Rivai bijvoorbeeld toe tot de pas opgerichte Volksraad. In het eerste decennium van de vorige eeuw waren de meeste medische studenten uit Nederlands-Indië in Amsterdam zich echter nog niet bewust van de vlucht die het Indonesische nationalisme zou nemen.

Zij geloofden in de goede bedoelingen van de Nederlandse overheerser, hoopten op innige samenwerking en werden daarin aangemoedigd door onder meer de politici van de ‘ethische koers’. Ze hadden geen hekel aan de overheerser die hen in staat had gesteld te studeren aan de Stovia. Zij hadden geen hekel aan de bevolking van Nederland, die hen goed ontving. De studenten konden in Nederland bovendien verkeren in de hoogste intellectuele en politieke kringen, in hun thuisland op dat moment ondenkbaar.

Wel en niet gegund

De Molukse Johan Tehupeiory, die in Nederland voor een doctorsgraad studeerde, mocht in 1908 een lezing geven voor een prominent gezelschap. In zijn rede vroeg hij om uitbreiding van het onderwijs in het Nederlands in Indië. Dat zou volgens hem de sleutel zijn naar hogere ontwikkeling van de Indonesiër; het spreken van dezelfde taal zou de Indonesiër ook meer binden aan de Hollander. Zijn lezing werd bejubeld in Nederland, maar in Indië zat men niet te wachten op ontwikkelde inlanders.

De prestaties van de eerste Indonesische studenten aan de Universiteit van Amsterdam waren uitmuntend. De meesten studeerden binnen twee jaar af, velen waren goed genoeg om in aanmerking te komen voor promotieonderzoek. Maar het succes werd hun ook in Nederland misgund. Een in 1909 door de regering in het leven geroepen speciale commissie wilde de taken van de Indonesische arts beperken. In het vervolg, zo was het plan, mochten zij zich slechts beperkt bezighouden met de bestrijding van ziekten.

Hoewel de vooroordelen bleven sluimeren, waren Indonesische studenten op en rond het Amsterdamse Binnengasthuisterrein al een vertrouwd beeld geworden. Een beeld dat niet meer zal veranderen.Dit verhaal is een aangepaste en verkorte versie van het gelijknamige artikel van Herman Keppy in Ons Amsterdam (2004), geredigeerd door redactie Oneindig Noord-Holland.

Publicatiedatum: 21/07/2011