21 februari 1803: J.A. Bronkhorst lid Mandenmakersgilde

Op 21 februari 1803 werd het proefstuk van Johannes Arnoldus Bronkhorst (geb. 1772) door de commissarissen van het Mandenmakersgilde goedgekeurd. Na het tonen van zijn poortersbewijs en het voldoen van zijn intreegeld werd hij vervolgens meteen als meester mandenmaker ingeschreven in het ledenregister van dit gilde.

De regels van het mandenmakersgilde

Het Mandenmakersgilde werd op 13 december 1586 opgericht en zetelde aanvankelijk boven het wachthuis in de Regulierstoren, nu de Munttoren. Op 1 augustus 1725 kregen de overlieden toestemming om in de Haringpakkerstoren te vergaderen en dit is zo gebleven tot de opheffing van het gilde in 1829. De gildeleden moesten zich aan strenge regels houden. Zij mochten bijvoorbeeld niet met hun mandenwerk langs de huizen gaan om het te koop aan te bieden. Ook mochten zij niet meer dan twee van de drie wekelijkse marktdagen hun waar op de markt verkopen. Zelfs de inkoop van hun basismateriaal, namelijk wilgetenen, was aan strenge regels gebonden. Dit allemaal om valse concurrentie in de stad tegen te gaan.

Huwelijk

Kort voor zijn toetreding als gildelid is Johannes Arnoldus Bronkhorst op 7 januari 1803 in het huwelijk getreden met Cornelia Reynders, weduwe van de mandenmaker Christiaan Godfried Geerke. De mandenmaker is een van de honderd beroepen, die in het beroemde boek ‘Het Menselyk Bedryf’ uit 1694 door Jan en Casper Luyken in beeld zijn gebracht.

Auteur: Nel Klaversma.

Dit verhaal maakt deel uit van de campagne Werelderfgoed.
Klik hier om naar het thema Amsterdamse grachtengordel te gaan.

Publicatiedatum: 09/03/2011