Drie eeuwen slavernij in Amsterdam

Aan de hand van dertien verhalen en tal van illustraties besteedt het Stadsarchief Amsterdam aandacht aan de drie eeuwen dat Amsterdammers bij de slavernij betrokken waren.

Tussen 1602 en 1873 worden honderdduizenden ‘slaafgemaakten’ verhandeld en aan het werk gezet, meestal op plantages in de koloniën. Meer dan duizend slaven komen naar Amsterdam, om bijvoorbeeld als dienstbode te werk te worden gesteld.

Zo komen er in de achttiende eeuw honderden Afro-Caribische mensen naar Amsterdam. Onder hen is Susanna Dumion, die de gezegende leeftijd van 105 jaar zou bereiken. Het eerste deel van haar leven brengt ze in slavernij door in Suriname. Vervolgens wordt ze op de Amsterdamse Keizersgracht bediende van de rijke weduwe en plantage-eigenaar Susanne L’Espinasse. Als de weduwe in 1778 overlijdt, geeft ze Dumion in haar testament de vrijheid. Formeel bestaat in Amsterdam geen slavernij, maar lang niet iedereen is automatisch vrij bij aankomst in de stad. Je moet die vrijheid wel opeisen.

Het gebeurt ook dat slaafgemaakten als verstekeling op een schap naar Amsterdam vluchten, in de hoop vrij te zijn. Vaak worden ze echter teruggestuurd, zoals Claas uit Curacao, die in 1736 Amsterdam heeft weten te bereiken. Voordat hij wordt teruggestuurd, wordt hij opgesloten in de gijzelkamer van het stadhuis op de Dam.

Zwarte vrouw, door Govert Flinck. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Fatsoenlijk

Sommige slavenhouders, die met een zwarte vrouw zijn getrouwd, gaan fatsoenlijk met hun kinderen om. Eén van die kinderen is Louis Zamore van Wicky, die rond 1778 in de plantagekolonie Berbice (het huidige Guyana) wordt geboren. Hij is het kind van plantage-eigenaar Emmanuel de Correvont en een zwarte vrouw. Louis kan aardig tekenen en wordt naar Amsterdam gestuurd, waar hij via de Stadstekenacademie een opleiding gaat volgen bij Jurriaan Andriessen. Helaas krijgt Louis in juli 1805 hevige koorts, waar hij twee dagen later aan overlijdt.

Minder aardig voor de aan hem toevertrouwde slaven is Dominee Wilhelmus Hogerwaard, een praktizerend christen voorwaar, die in 1731 twee slaafgemaakten meeneemt uit Azië: Sabina van Cheribon en Hanibal van Moston. Sabina overlijdt in januari 1733, Hanibal wordt naar Azië teruggestuurd. Hun baby Hanibal wordt op 9 januari 1733 naar het Aalmoezeniersweeshuis gebracht, dat centraal staat in de tentoonstelling die momenteel in hetzelfde Stadsarchief is te zien. Kennelijk wil de dominee niet voor het kind zorgen. Hanibal wordt bij een min ondergebracht, waar hij op 22 juli 1733 zal overlijden.

Leveringscontract van notaris Stephanus Pegrom voor bestelde slaven uit 1699. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Matroos Nicolaas

Om duidelijk te maken hoe de slaafgemaakten in oorden als Suriname terecht zijn gekomen, wordt het verhaal verteld van de Amsterdamse matroos Nicolaas Bergen, die in de vroege achttiende eeuw op een slavenschip vaart. Dat schip, D’Adrichem, zal zeven reizen maken en in totaal 3800 slaven vervoeren, waarvan 500 de tocht niet overleven.

En dat is nog maar één van de slavenschepen, die meestal in opdracht van de VOC en de WIC varen. Gedurende ruim twee eeuwen worden bijna 600.000 Afrikanen door Nederlanders ingescheept. 13% van hen overleeft de reis niet, als gevolg van ziekte, honger en mishandeling. De verslagen van die scheepsreizen zijn terug te vinden in de Amsterdamse notariële archieven.

De matrozen die op die slavenschepen werken, komen overigens vaak uit arme gezinnen. Een matroos verdient op zo’n reis tien gulden per maand en de meesten hebben al een jaar aan schulden voordat ze aan boord gaan. Matroos Nicolaas sterft zelf ook aan boord van D’Adrichem.

Slavenschip Beeckesteyn ligt voor anker bij het West-Indisch Huis. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Leveringscontract

De slaven die met de slavenschepen worden vervoerd, worden in een ‘leveringscontract’ beschreven als gaat het om specerijen. Zo maakt de Amsterdamse notaris Stephanus Pelgrom, die voor de West-Indische Compagnie werkt, in 1699 een leveringscontract op, waaruit blijkt dat bij de slaven niet alleen naar leeftijd en ‘kostprijs’ wordt gekeken, maar ook naar de gezondheid. De tot slaafgemaakten mogen vooral ‘geen gebrek hebben’ of ‘blind, lam of gebroken zijn.’ De WIC werkt overigens ook voor de Spaanse troon en belooft altijd genoeg slaven aan te kunnen leveren voor de Spaanse West-Indiën.

De tentoonstelling bevat ook enkele pikante ‘onthullingen’. Zo wordt de directeur van plantage Wederzorg, Thomas Sevenoaks, in 1841 vervolgd omdat hij seksueel misbruik had gemaakt van 18 slaafgemaakte vrouwen. Sevenoaks krijgt een geldboete en mag de plantage niet meer betreden. Hij wordt overigens niet zo zeer vervolgd omdat hij de vrouwen had misbruikt, maar om ‘vermenging van blanken met slavinnen’ te voorkomen. In 1814 wordt de slavenhandel afgeschaft.

Bewindvoerders van de West-Indische Compagnie. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

In de hal van het Stadsarchief worden de persoonlijke verhalen verteld, in tekst en beeld, en in de Schatkamer zijn de originele archiefstukken te zien, die aan de dertien verhalen ten grondslag liggen. De tentoonstelling duurt van 30 juni tot 11 oktober 2020. Kijk voor meer informatie op de website van het Stadsarchief.

Tekst: Arnoud van Soest
Omslagfoto: De suikerplantage Waterlant in Suriname, Dirk Valkenburg, 1698-1718. Collectie Amsterdam Museum.

Publicatiedatum: 30/06/2020