Wonen in een stolpboerderij: hooien, melken, rust en vrijheid

Hoe is het om in een stolpboerderij te wonen? Nettie Stoop uit Schagerbrug kan erover vertellen. Samen met haar man Wim woont ze in boerderij De Surinaamsche Vriend, een provinciaal monument.

Noord-Holland telt circa 500 provinciale monumenten. Om die monumenten duidelijk te markeren kunnen de eigenaren bij de provincie een monumentschildje aanvragen. Wim en Nettie Stoop, eigenaren van stolpboerderij De Surinaamsche Vriend, deden dat. Hun zoon moet het alleen nog even ophangen. Nettie: “Zo’n schildje leek ons wel leuk; kunnen de mensen zien dat het een monument is.”

Het is heerlijk wonen in Schagerbrug (gemeente Schagen), vertelt Nettie in de voorkamer van de stompboerderij waar zij en haar man al veertig jaar in wonen. De woning ligt aan de Grote Sloot, de hoofdvaart door de Zijpe, die behoorlijk lang is. “Ik vind het lekker om op het platteland te wonen, want ik kom zelf van een boerderij. Vooral de rust vind ik heerlijk.”

Ze bewaart mooie jeugdherinneringen aan de zomers dat ze het land op gingen om het hooi te oogsten. “Dan mochten wij het lestje hooi bij elkaar harken, om het land weer goed schoon te maken. Dat deden we met een harkmachine, die door paarden werd getrokken. Als kind kregen we het makste paard mee, niet zo’n paard dat allerlei rare dingen kon doen.”

Nettie Stoop geniet van de rust en de vogels die het platteland te bieden heeft. Foto door Arnoud van Soest.

Puur knijpen

Ze wilde ook graag leren melken. “Dat was best zwaar werk, zeker in het begin. Dan is het puur knijpen om de melk uit de uiers te krijgen. We leerden het op een oudere koe, die mak was, want je moet geen koe hebben die staat te trappen, want dan vlieg je door de stal. Meestal was het een koe die bijna droog stond, want een koe staat altijd twee maanden droog, voordat-ie weer een kalfje krijgt. Kunnen ze een beetje tot zichzelf komen.”

Ze kijkt even door het raam naar buiten. “Ik zag hier vanochtend nog een Vlaamse gaai. Die zijn best wel schuw. Als hij maar één geluidje hoort, vliegt hij al weg. Daar kan ik écht van genieten. We hebben hier ook veel zwaluwtjes, die in de balken van de stal een nestje maken. Daar komen wel eens kraaien op af, die de eitjes uit het nest willen roven. Die jaag ik weg. Half september gaan de zwaluwtjes weer weg; dat stemt me altijd een beetje droevig.”

De voormalige koegang oftewel koeienstal: gereedschap, gewichten, melkbussen en prijzen. Foto door Arnoud van Soest.

Koegang

Nettie (77) en haar man Wim (77) wonen in een stolpboerderij, die in 1879 werd gebouwd. Waarom het een provinciaal monument is geworden, weet ze niet zo goed. Ze vermoedt omdat de koegang, waar de koeien vroeger stonden, nog authentiek is. Het was de provincie die er een monument van maakte en het echtpaar Stoop vond dat best.

Ze laat de stal zien, waarin prachtig paardentuig aan de muur hangt, want in 2000 stopte het echtpaar met koeien en schakelden ze over op het fokken van Friese paarden. Ze hebben er vier van, plus een veulentje. “Het zijn sierlijke dieren, met mooie manen. En ze zijn gemoedelijk.”

Het ‘staltje’ waar tijdens de hooioogst werd gewoond en waar ook het jonge vee werd ondergebracht. Foto door Arnoud van Soest.

Haar man was ooit slager. Daar moest ze wel een beetje aan wennen. “De maandagen vond ik niet zo leuk, want dan werden de koeien en varkens gebracht om te worden geslacht. Mijn man slachtte aan huis in Julianadorp, waar we vroeger woonden. Dat slachten vond ik vréselijk. Mijn vader fokte koeien en mijn man slachtte ze. Die beesten konden zich niet verweren.” Maar ze is wel realistisch. “Je ken natuurlijk niet alles houden. …Nee, ze krijsten niet. Eén schot op hun hoofd en het was gebeurd. En als het eenmaal in de koelcel hing, vond ik het niet erg meer.”

Dan lopen we naar een soort van woonkamer achterin de stal, die ‘staltje’ wordt genoemd. “In de zomer, tijdens het oogsten van de hooi, woonden de mensen hier. Bij het oogsten bleef er veel hooi aan de sokken van de mensen hangen. Door in het staltje te wonen, hield je het woongedeelte netjes.”

Sokjes en stoplapjes. Foto door Arnoud van Soest.

Als de verslaggever Nettie op de kiek wil zetten, dondert hij bijna in de geul (groep), waar de koeien hun ontlasting in lieten spetteren. Ze poseert geduldig voor een muur met sokjes en stoplapjes, die vroeger werden gebruikt om kleding te herstellen. “Heeft mijn tante in 1929 nog gemaakt; had ze op school geleerd.”

Vervolgens loopt ze naar een grote pan, waarin vroeger het varkensvoer werd gekookt. Het lijkt hier warempel wel een museum. Ja, ze heeft wel eens aan een monumentendag meegedaan. “Maar daar kwamen niet zo veel mensen op af. Toen dacht ik: daar blijf ik niet voor thuis.”

De grote pan waarin het varkensvoer werd gekookt. Foto door Arnoud van Soest.

Wagenschuur

We verlaten de stal om nog even een blik in de wagenschuur te werpen. “Daar zit een nieuwe deur in, dus erg origineel is het niet meer,” zegt ze er maar meteen bij. De wagenschuur, die zijn carrière als varkensstal begon, wordt nu voor de opslag van paardenvoer gebruikt.

Als we weer teruglopen naar het voorhuis, vertelt Nettie dat zij en haar man vanaf 1980 koeien hebben gehouden. “We zijn met 13 koeien begonnen. Uiteindelijk werden het er wel veertig, maar dat was in een schuur die we hier verderop hebben gekocht. Daar hadden ze meer ruimte en konden ze lekker los lopen in grote boxen. Het was vleesvee en dat moet kunnen lopen, anders gaan ze in mei stijf het land in. Ze glimlacht. “Maar de boerenmensen weten dat wel.”

Als we weer aan de koffie in het voorhuis zitten, vraag ik Nettie of er nog beperkingen zijn als je huis tot monument is uitverkoren. “Wat de buitenkant betreft moet je je aan de regels houden, maar dat is niet erg, want we willen de boerderij graag laten zoals die was. Je moet alleen wel veel schilderen, met al dat houtwerk. Kleine huisjes hebben weinig ramen, wij hebben er wat meer.”

Fraai lederen paardentuig. Foto door Arnoud van Soest.

West-Friese markt

En dan stappen we in de auto, want Nettie gaat haar man bezoeken, die in Alkmaar in het ziekenhuis ligt. Onderweg wijst ze op een dartel veulentje dat in de wei achter een stel paarden van de buurman aan rent. “Na verloop van tijd moet je een veulentje bij zijn moeder weg halen, anders blijven ze drinken. Die moeder is meestal drachtig van een nieuw veulentje, dus die moet haar rust hebben. Afwennen noemen we dat.”

We babbelen nog even over de West-Friese Markt, die op donderdagen in juli en augustus in Schagen plaatsvindt en waar zij en haar man al jaren aan mee doen. “Dan rijden we in kostuum in een mooie Friese sjees. Dat is heel gezellig, want er komt veel volk op af. En na afloop drinken we met zijn allen koffie.”

Ik vraag haar of het haar wat doet, zo’n oud kostuum. Nuchter zegt ze: “Het zijn kleren waarin je niet ken werken. Je hebt al drie onderrokken en dan nog een bovenrok van zwaar materiaal, dus je bent behoorlijk ingepakt.”

Nettie in folkloristisch kostuum. Foto door Arnoud van Soest.

De Surinaamsche Vriend

De meeste boerderijen heten Nooitgedacht of Welgelegen. Maar Nettie en Wim wonen in een boerderij die de wonderlijke naam De Surinaamsche Vriend draagt. Mr. J. Belonje dook ooit eens in de archieven om de herkomst te achterhalen. Hij ontdekte dat de naam uit het begin van de 19e eeuw stamt, toen de boerderij nog het bezit was van Jan de Vries en Maartje Jongerling.

Jan de Vries kwam uit het Zuiderzeestadje Monnickendam en schopte het tot kapitein van de koopvaardij. Hij trouwde Maartje Jongerling uit Schagen, die in 1759 in het Zand in de Zijpe was geboren, als dochter van een schipper. Het echtpaar was in goeden doen, want De Vries kocht verschillende boerderijen en ‘los land’ aan in de omgeving van Schagen.

Uitzicht op het erf. Foto door Arnoud van Soest.

Naast kapitein was hij ook koopman. In die laatste hoedanigheid kocht hij in 1821 op een Amsterdamse veiling een Surinaamse suikerplantage, Wayanpibo. Hij kocht de plantage compleet met opstallen, gereedschappen, materialen en slaven.  Om dat te financieren moest hij voor 22.000 gulden een hypotheek nemen op alles wat hij in en om Schagen bezat.

In 1822 vertrok hij naar zijn Surinaamse plantage, waar hij drie jaar later overleed. Maartje Jongerling bleef als weduwe van De Surinaamsche Vriend achter en overleed een jaar later op de leeftijd van 67 jaar, waarna de nalatenschap onder haar neven en nichten werd verdeeld.

Stolpboerderij De Surinaamsche Vriend te Schagerbrug.

Provinciaal monumentenschildje

Noord-Holland telt ongeveer 14.000 rijksmonumenten, duizenden gemeentelijke monumenten en 500 provinciale monumenten. De provincie beschermt monumenten die typisch zijn voor de provincie en die het unieke landschap ervan benadrukken. Denk aan stolpboerderijen, dijken, molens en gemalen. De provincie helpt eigenaren ook bij restauratie, herbestemming en verduurzaming van de monumenten. Met het aanbieden van de monumentenschildjes wil de provincie eigenaren van provinciale monumenten bedanken voor hun inzet en helpen meer bekendheid te geven aan ons erfgoed. Ook een schildje op uw provinciaal monument? Een monumentenschildje kan via een formulier kosteloos worden aangevraagd.

Tekst: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 09/12/2019