Waren zij werkelijk zo slecht?

Werkdruk, onderbetaling en de daarmee samenhangende kwaliteit van het onderwijs krijgen veel aandacht in de media. Niet voor het eerst, want al aan het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw werd binnen de Bataafse Republiek een debat over de kwaliteit van het lager onderwijs gevoerd. Ook destijds presteerde het onderwijs volgens velen onvoldoende om zijn maatschappelijke taak te vervullen. In 1801 werd een nieuwe onderwijswet ingevoerd.

Book 9 min

Lager onderwijs in de verdrukking

Aan het eind van de 18de eeuw leefde er in sommige kringen een breed gedeeld ongenoegen over de kwaliteit van met name het lager onderwijs aan kinderen. Er bestond een negatief beeld dat met allerlei anekdotische publicaties werd onderbouwd. Onderwijzers zouden bijvoorbeeld niet geschikt zijn voor hun taak, of te oud. Er was in de beeldvorming sprake van onderwijzers die werden ontslagen omdat zij de school verwaarloosden. Ook zouden kinderen niet of slechts onregelmatig naar school gaan. Dit negatieve beeld van het onderwijs van eind 18de eeuw is tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Daar staat tegenover dat in diezelfde periode ook tegengestelde geluiden zijn waar te nemen. Sommigen voerden aan dat op de meeste onderwijzers zelf niet veel was aan te merken, maar dat het aan de omstandigheden lag. Men wijst dan bijvoorbeeld op de slechte materiële omstandigheden op het platteland en de gangbare didactiek, die te weinig ontwikkeld was om de gewenste resultaten te bereiken. Ook de lage salariëring door gemeentelijke overheden was weinig bevorderlijk voor de kwaliteit. Onderwijzers waren afhankelijk van betaling door de plaatselijke overheid en van schoolgeld door de ouders. Zij moesten soms wat bijverdienen via een publiek ambt, een kerkelijk ambt of als doodgraver. Zij bleven weliswaar soms tot op hoge leeftijd in dienst, maar juist tot tevredenheid van autoriteiten en dorpsbewoners.

Een prijsvraag voor beter onderwijs

Het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW), het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (PUG) en de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (het Nut) schreven tussen 1781 en 1799 elk een prijsvraag uit voor voorstellen om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. De bekroonde resultaten gaven vooral didactische aanwijzingen. Zo werd de inhoud van uiteenlopende vakken besproken en stelde men een betere schoolorganisatie voor. Sommige inzenders bepleitten een betere salariëring zodat hoger opgeleide jongeren perspectief zouden zien in een baan in het onderwijs. Andere inzenders stelden voor alle onderwijzers te examineren door een van overheidswege ingestelde inspectie of om jonge onderwijzers (‘kwekelingen’) op te leiden op een kweekschool.

De vraag of gemeentelijke overheden, die de direct verantwoordelijken waren voor het onderwijs op lokaal niveau, wel voldoende mogelijkheden hadden om verbeteringen door te voeren, bleef bij deze prijsvragen buiten beeld. De ‘staat’, de overheid zoals wij die nu kennen, had in deze periode nog lang niet de organisatorische en financiële slagkracht om daadwerkelijk iets aan het onderwijs te kunnen doen. Na de Bataafse Revolutie van 1795 kwam hier langzaam verandering in. Het onderwijs werd daarbij een van de speerpunten van de nieuwe ‘revolutionaire’ regering.

Folio uit Rijksschooltoezicht in Noord-Holland, acte van algemene toelating van Jan Hendrik Papegaaij afgegeven op 20 oktober 1813. Collectie Noord-Hollands Archief, Haarlem, toegangsnr. 89, inv. nr. 68.

Onderwijsverbetering in de maak

De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798, de eerste Nederlandse grondwet, had de verantwoordelijkheid van de nationale overheid voor het onderwijs erkend. De uitvoering was in handen gelegd van een Agent van Nationale Opvoeding, die niet alleen verantwoordelijk was voor onderwijs, maar ook voor het creëren van nationale tradities en voor een geneeskundige staatsregeling. J.H. van der Palm, die in 1799 voor deze functie werd aangesteld, betoogde dat kosteloos algemeen nationaal onderwijs onmogelijk was omdat het de nationale overheid aan middelen ontbrak. Wel nam hij het voorstel over om een inspectieapparaat in het leven te roepen.

De Agent van Nationale Opvoeding had zich in 1799 via een onderwijsenquête op de hoogte gesteld van de toestand van de scholen in de Bataafse Republiek. Uit deze enquête bleek dat de meeste onderwijzers in het departement van Texel werden betaald door het plaatselijk bestuur. Anderen leefden van de schoolgelden, of van een combinatie van die twee inkomsten. Soms hadden zij nog andere functies, bijvoorbeeld die van plaatselijke belastinggaarder. Een andere zorg, de vermeend hoge leeftijd van de onderwijzers in het departement Texel, bleek uit de enquête mee te vallen. Slechts zeven onderwijzers waren met recht bejaard te noemen. Peter Knip uit Uitdam onder Zuiderwoude was met 83 jaar de oudste.

Portret van de Waalse predikant Josue Teissèdre l’Ange, aangeboden in 1851 door de onderwijzers en onderwijzeressen van het eerste en achtste district van Noord-Holland bij zijn gouden jubileum als schoolopziener. Prent door Dirk Jurriaan Sluijter, naar Jan Willem Pieneman, 1851. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam, objectnummer: RP-P-1904-2431.

De Schoolwet: inspectie en examens

Het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek, het gematigder bewind dat in 1801 op instigatie van Napoleon aan de macht was gekomen, publiceerde in 1801 een Wet op het Lager Onderwijs die de kwaliteit van zowel het onderwijs als van het niveau van de onderwijzers moest verbeteren. Daarbij werd gebruik gemaakt van elementen uit de vele verhandelingen en adviezen die in de decennia ervoor waren opgesteld. Deze zogenoemde Schoolwet regelde voortaan landelijk toezicht op het onderwijs door schoolopzieners. Alle schoolopzieners waren benoemd door het Uitvoerend Bewind en hadden zitting in een van de departementale schoolbesturen.

De verslagen en resultaten van de examens van onderwijzers in het departement Texel/Holland uit de periode 1801-1810 bieden de mogelijkheid om te onderzoeken of het werkelijk zo slecht was gesteld met de kwaliteit van de onderwijzers als wel werd beweerd. Kort nadat de Schoolwet op het lager onderwijs was afgekondigd, werd de ‘Algemeene Verordening omtrent het afnemen der examens bij de departementale schoolbesturen’ als bijlage bij de Schoolwet gepubliceerd. Het voorstel van het Nut om alle zittende onderwijzers te examineren was werkelijkheid geworden. De schoolopzieners van het departementaal schoolbestuur namen deze examens af. Na afloop van het examen kregen de onderwijzers een getuigschrift: zij kwamen dan in het bezit van een algemene akte van toelating.

Portret van Joannes Clarisse, predikant te Enkhuizen, schoolopziener van 1801-1804. Prent door Johann Peter Berghaus, 1850. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam, objectnummer: RP-P-1899-A-21870.

Botsing met traditie

Overeenkomstig de heersende mening stelde Van der Palm in zijn eerste verslag aan het Uitvoerend Bewind dat de onderwijzers zelf aansprakelijk waren voor de slechte toestand van het onderwijs. Ondertussen hadden onder andere de schoolopzieners J. Clarisse en J. Teissèdre L’Ange van het departement Texel in verschillende conferenties de onderwijzers op de hoogte gesteld van de beoogde veranderingen van de Schoolwet van 1801. De meeste onderwijzers stonden daar sympathiek tegenover: een andere werkwijze kon hopelijk het schoolverzuim en de slechte resultaten tegengaan.

De uitslagen van de eerste examens en rapportages van de schoolopzieners waren voor Van der Palm in 1802 aanleiding om aan het Uitvoerend Bewind te schrijven dat de resultaten van het nieuwe beleid beter waren dan verwacht. Ook in zijn analyse was hij nu een andere mening toegedaan. Slecht onderwijs was volgens hem vooral het gevolg van de onkunde van plaatselijke besturen, bezet door ‘dweepzieke, onkundige en onbarmhartige wezens’.

Examenresultaten 1801-1806

Het departementale schoolbestuur van Texel, later die van het noordelijk gedeelte van Holland, examineerde van 1801 tot en met maart 1806 ongeveer honderd onderwijzers. Het reikte aan veertien van hen een volledig getuigschrift uit. Daarmee hadden zij voldaan aan de ‘Algemeene Verordeningen omtrent het afnemen der examens bij de Departementale Schoolbesturen’. Dat betrof een onderzoek naar de kennis in de taalkunde, de beheersing van verschillende soorten schrift en het kunnen oplossen van een aantal rekenkundige vraagstukken. Tenslotte kreeg de kandidaat vraagstukken voorgelegd waaruit zijn pedagogische kwaliteiten moesten blijken.

Nog eens 78 onderwijzers kregen een onvolledig getuigschrift en moesten zich naderhand opnieuw melden voor een vervolgexamen. Sommige onderwijzers werden provisioneel toegelaten, zonder enig getuigschrift. Acht werden als onbekwaam weggestuurd en van één onderwijzer werd de acte van toelating naderhand ingetrokken wegens dronkenschap. Weinig onderwijzers kregen bij een volgend examen een volledig getuigschrift.

De afname van de examens liep niet van een leien dakje. Schoolopzieners schreven herhaaldelijk, maar vergeefs verschillende onderwijzers aan om zich te laten examineren. Soms was een betrokkene overleden of van baan veranderd. Twee onderwijzers bleken zelfs onvindbaar. Eén onttrok zich aan alle oproepen om een examen af te leggen, hoewel zijn woonplaats bekend was; pas veel later deed hij examen. In een enkel geval ging de betreffende inspecteur zelf ter plaatse poolshoogte nemen en nam dan een examen af nadat hij hierover met zijn collega’s had overlegd.

Een slecht examenresultaat had niet altijd gevolgen. Cornelis Tromp uit Schermer kreeg na zijn examen in juni 1803 géén getuigschrift uitgereikt. Hij bleef in dienst, kwam terug in juni 1805 om opnieuw examen af te leggen en behaalde toen een onvolledig getuigschrift. Tromp legde in juni 1807 nog een keer examen af en werd toen onderwijzer in wat inmiddels de ‘derde rang’ was komen te heten.

Schoolmeester berispt een klein meisje. Tekening toegeschreven aan Pieter Pietersz. Barbier, 1759-1842. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam, objectnummer: RP-T-1954-299.

Het rangenstelsel en de gevolgen

In 1806 werd een nieuwe Schoolwet ingevoerd, die de volledige en onvolledige getuigschriften verving door een rangenstelsel. Alle scholen werden met een kwalificatie van de tweede, derde of vierde rang aangemerkt. Deze rangen werden onder andere bepaald door criteria zoals de grootte van de plaats en de inrichting van het onderwijs ter plaatse.

Van de onderwijzers met een onvolledig getuigschrift uit de periode 1801-1806 kregen 25 daardoor een vierde en 27 een derde rang. Tussen maart 1806 en 1811 werden maar liefst 261 onderwijzers geëxamineerd. Sommigen waren niet ouder dan 16 jaar. Tenslotte kregen nog negen onderwijzers als huisonderwijzer een getuigschrift, waaronder enkele vrouwen.

Het rangenstelsel was wellicht goed bedoeld, maar bleek al snel onderhevig te zijn aan inflatie. Van der Capellen, minister van Binnenlandse Zaken en Religie, klaagde in 1810 dat de eerste rang te gemakkelijk werd afgegeven, terwijl juist deze bestemd was voor de allerbeste onderwijzers. Hij constateerde dat er hier en daar ook een grote toegeeflijkheid bestond bij de afgifte van lagere rangen. Te jonge kandidaten kregen de tweede rang toegekend en konden daardoor solliciteren naar de functie van hoofd van een lagere school. Dit tastte volgens de minister de kwaliteit van het onderwijs aan. Hij achtte het noodzakelijk om leeftijdsgrenzen voor de verschillende rangen aan te geven. De tweede rang kon vanaf dat moment alleen nog worden uitgereikt aan geslaagde kandidaten die 22 jaar of ouder waren en de derde aan kandidaten die minstens de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt. Met de instelling van deze leeftijdsgrenzen hoopte hij het tij te keren.

Tot slot

De invoering van het rangenstelsel in 1806 probeerde de examenresultaten van de onderwijzers te verbeteren, door meer rekening te houden met de omstandigheden en de kwaliteiten van de zittende onderwijzers. De nationale overheid bereikte door deze wijziging dat de rangen scherper werden gedefinieerd. De eerste professionalisering van onderwijsgevenden was daarmee een feit. Dit resultaat kon alleen bereikt worden doordat de schoolopzieners zich inspanden om de onderwijzers in hun departement aan een examen te onderwerpen.

Auteur: Dick van Gijlswijk

Bronnen:

  • Schooltoezichtsarchieven van het voormalig departement Texel, dat bijna heel Noord-Holland omvatte. Toegangsnummer 89, Rijksschooltoezicht in Noord-Holland, uit het Noord-Hollands Archief.
  • Historische Vereniging Haerlem, Dick van Gijlswijk, Waren zij werkelijk zo slecht?, Een onderzoek naar de kwaliteit van de onderwijzers op het platteland van Noord- en Zuid-Holland 1801-1810.

 

Dit artikel is in december 2021 gepubliceerd in het Historisch Tijdschrift Holland, p. 157-164.

Publicatiedatum: 23/05/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN