Waalse Kerk in Haarlem: waar vluchtelingen terecht konden

Al meer dan vierhonderd jaar is er elke zondag een Franse preek te horen in de Waalse Kerk op het Begijnhof in Haarlem. De hervormde kerk is in het verleden belangrijk geweest voor twee groepen vluchtelingen die zich in Haarlem vestigden.

Ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog stelde de Spaans-Habsburgse overheid, die destijds in wat tegenwoordig België is nog wel de macht had, de protestanten voor een keuze. Ze konden zich bekeren tot het katholieke geloof of vertrekken. Meer dan honderdduizend gevluchte protestantse Walen kregen kerkgebouwen in verschillende Hollandse steden toegewezen voor het houden van Franstalige kerkdiensten. In Haarlem was dat de kerk op het Begijnhof. Een kleine honderd jaar later kwam er een tweede stroom vluchtelingen, nu uit Frankrijk. Duizenden Franse Hugenoten vestigden zich in Haarlem en sloten zich eveneens aan bij de Waalse Kerk toen de vervolging van Franse protestanten in de loop van de zeventiende eeuw toenam.

Lange Begijnestraat en Waalse Kerk, ingang zuidzijde. Aquarel van H.P. Schouten, ca.1780.

Lange Begijnestraat en Waalse Kerk, ingang zuidzijde. Aquarel van H.P. Schouten, ca.1780.Lange Begijnestraat en Waalse Kerk, ingang zuidzijde. Aquarel van H.P. Schouten, ca.1780.

Het ‘Grote Hof’ van de Haarlemse begijnen

De Waalse Kerk, de ‘Église Wallonne’, staat op het Begijnhof. Die naam verwijst nog naar het ‘Grote Hof’ van de Haarlemse begijnen dat hier eertijds was. Het behoorde tot de katholieke bezittingen die, na het terugtrekken van de Spaanse soldaten uit de Noordelijke Nederlanden, door de Staten van Holland werden geconfisqueerd en aan Haarlem geschonken als compensatie voor de schade van het beleg. De koorkerk van de begijnen wees het stadsbestuur toe aan de Franstalige protestanten die daarin vanaf 1590 diensten hielden in hun eigen taal.

De Waalse Gemeente was een onderdeel van de gereformeerde kerk die sinds 1581 een monopolie had op openbare godsdienstoefening. Ze nam daarbinnen wel een eigen plaats in. De Waalse Gemeente had een eigen kerkenraad en diaconie. Ze regelde dus zelf de armenzorg en benoemde, meestal in overleg met het stadsbestuur, eigen Franstalige predikanten. De eerste daarvan was de Zuid-Nederlander Jean Taffin die in 1586 aantrad.

Een vluchtelingenkerk

Tot ver in de achttiende eeuw was de Waalse Kerk een echte vluchtelingenkerk. Net als dat met vluchtelingen nu vaak het geval is, bleven ook de Waalse vluchtelingen van toen hopen op de kans terug te keren naar hun eigen steden en dorpen. Ze verwachtten dat de Hollandse troepen ook de nog door de Spaanse Habsburgers beheerste Zuidelijke Nederlanden, het huidige België, zouden veroveren.

Dat gebeurde echter niet. De Zuidelijke Nederlanden bleven in de greep van de katholieke contrareformatie. Langzaamaan werd duidelijk dat deze vluchtelingen in ons land zouden blijven en zich aan de Nederlandse verhoudingen moesten aanpassen. Het gevolg daarvan was dat de kinderen en kindskinderen van de eerste generatie vluchtelingen het Frans afleerden en zich aansloten bij de Nederlandstalige kerk. In de zeventiende eeuw leidde dat echter nog niet tot een complete leegloop van de Waalse Kerk. Tot ongeveer 1620 kwamen er nog steeds nieuwe eerste-generatievluchtelingen uit het Zuiden en daarna nam het aantal gereformeerde vluchtelingen uit Frankrijk snel toe.

Hugenoten in Haarlem

Ook in Frankrijk bekeerden velen zich in de zestiende eeuw tot het protestantisme. De katholieke overheid reageerde met een grootschalige vervolging. Regelrechte geloofsoorlogen braken uit. Daaraan kwam een voorlopig einde toen de Franse koning Hendrik IV in 1598 het Edict van Nantes afkondigde. In sommige steden en streken van Frankrijk mochten de protestanten, zij het met enige beperkingen, hun geloof vrij belijden. In de loop van de zeventiende eeuw nam men de Franse protestanten, de Hugenoten, steeds meer vrijheden af. De geloofsvervolging begon opnieuw en onder leiding van de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV werd die na 1661 snel heviger. In 1685 werd het Edict van Nantes ingetrokken en maakte Lodewijk een einde aan de nog overgebleven geloofsvrijheid. Honderdduizenden Hugenoten sloegen vervolgens op de vlucht.

Hoeveel Hugenoten in Haarlem zijn geweest, weten we niet. Wel kunnen we een redelijke schatting maken van het aantal blijvers, dat waren er bijna tweeduizend. Een speciale status hadden de Hugenootse predikanten die bloot hadden gestaan aan de gruwelijkste vormen van vervolging: dreiging met de doodstraf of galeislavernij. De Nederlandse Republiek stelde subsidies beschikbaar om hen bij de Waalse Gemeenten aan te stellen. Rond 1690 had Haarlem daardoor wel zeven Franstalige predikanten.

Elitekerk

In de achttiende eeuw droogde het aantal vluchtelingen snel op. Ook nu gingen kinderen en kindskinderen over naar de Nederlandse kerk. De Waalse Gemeente bleef bestaan als een kleine kerk voor de elite die in de achttiende eeuw, en ook wel daarna, de Franse taal en cultuur omarmde.

Bronnen

J.G.C.A. Briels, De Zuidnederlandse immigratie omstreeks 1572-1630. Een vergeten bladzijde uit de geschiedenis der Nederlanden (Gent 1985).

H. Bots, G.H.M. Posthumus Meyjes en F. Wieringa, Vlucht naar de vrijheid: de Hugenoten en de Nederlanden (Amsterdam, Dieren 1985).

A.J. Enschedé, Geschiedenis der Walsche kerk en der Fransche Dames-Sociëteit te Haarlem (Haarlem 1878).

Alle bronnen liggen ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.Dit item maakt onderdeel uit van de route ‘Migranten in Haarlem en Kennemerland’

Publicatiedatum: 11/12/2010