Soldaten in de Beemster

Vier dagen na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, op 1 augustus 1914, kondigde de Nederlandse regering de mobilisatie af. Binnen een paar dagen werden 200.000 man onder de wapenen gebracht. De Stelling van Amsterdam kreeg een bezetting van zo'n 10.000 man. De soldaten die de forten gingen bemannen, werden voor een groot deel ingekwartierd bij particulieren.

Zo werden ook soldaten ingekwartierd in de Beemster, met als gevolg dat er spoedig voedseltekorten ontstonden. Met name de boerenfamilies die dichtbij de forten woonden, werden onevenredig zwaar belast.

Ingekwartierd bij Beemsterlingen

Inkwartiering kon gevraagd worden met en zonder voeding. Wie een soldaat of onderofficier te voeden kreeg, moest zorgen voor ‘een voedzame maaltijd, bestaande in aardappelen en groenten of droge peulvruchten, en voorts in vleesch, spek of visch, en daarenboven 0.75 kg goed gebakken brood, tweemaal per dag thee of koffie en verder het noodige drinkwater’. In 1892 was bepaald dat daar een vergoeding van 80 cent per dag tegenover stond. Wie zijn soldaten alleen onderdak hoorde te verschaffen, ontving 20 cent per dag. Voor een paard werd 10 cent betaald, met een kleine bonus: ‘de mest der gestalde paarden blijft ter beschikking van den inwoner, bij wien gestald wordt.” Al snel ontstonden er voedseltekorten in de Beemster. Er was met name een tekort aan vlees en brood.

Soldaten ingekwartierd bij de familie Van de Lee in de Beemster

Soldaten ingekwartierd bij de familie Van de Lee in de Beemster Foto: Waterlands Archief

Het Grote Wachten

Veel van de soldaten kwamen uit Amsterdam en waren ‘bejaarde’ infanterie-eenheden van de landweer. Mannen van tussen de 25 en 35 jaar die hun werkzaamheden in de burgermaatschappij moesten staken en vrouw en kinderen achterlieten voor een onzeker leven in de forten. De eerste dagen van de mobilisatie werden gevuld met het gevechtsklaar maken van de forten, het aanbrengen van prikkeldraadversperringen en het inrichten van wacht- en uitkijkposten. Om de gevechtskracht en fysieke gesteldheid van de soldaten te vergroten, werd er veel geoefend en lang gemarcheerd. Maar al snel begon het ‘grote wachten’ voor de manschappen.

Om de verveling tegen te gaan organiseerden de manschappen onderling cursussen (vreemde talen, boekhouden, handelsrekenen, tekenen). Muziekensembles, zangkoren en toneelverenigingen gaven enige afleiding. Door combinaties met nevenforten ontstonden grotere ensembles, zelfs hele fanfarekorpsen. Ook ging men met een eigen toneel- of muziekgezelschap op tournee langs andere forten. En overal schoten sportclubs uit de grond. Men zwom, roeide, zeilde, voetbalde, deed aan schermen of atletiek. Tussen de verschillende forten werden sportcompetities georganiseerd.

 

Soldaten helpen bij de watersnoodramp, omgeving Purmerend, 1916

Soldaten helpen bij de watersnoodramp, omgeving Purmerend, 1916 Bron: Noord-Hollands Archief.

Nuttig door noodhulp

Er was een ramp voor nodig om de lethargie in de forten te doorbreken. In januari 1916 werden Waterland en de Zaanstreek getroffen door zware overstromingen die een aantal maanden achtereen het dagelijks leven ontwrichtten en grote schade toebrachten aan huizen en vee. De soldaten die in de Stelling-forten ondergebracht waren, speelden een belangrijke rol bij de reddingswerken en hulpverlening, het aanleggen van dammen en andere waterkeringen. Veel soldaten stonden op het punt om met verlof te gaan en waren geïrriteerd over het feit dat hun verloven werden ingetrokken. Maar al gauw kwam de opwinding dat er eindelijk eens iets gebeurde wat de moeite waard was. De manschappen van Fort Spijkerboor trokken zingend over Wormerveer en Koog naar ’t Kalf bij Zaandam, waar de Wormerdijk ernstig bedreigd werd; een tocht van bijna vier uur. Voortvarend gingen de soldaten de strijd aan met het wassende water. De dijk werd met duizenden zandzakken verzwaard. Afgepeigerd maar voldaan keerden de soldaten de volgende avond terug naar het fort.

 

Landschap rond Fort aan de Jisperweg

Landschap rond Fort aan de Jisperweg Foto: Marianne Slot-Dekker

Sluimerend bestaan

Nadat op 11 november 1918 een eind gekomen was aan de Eerste Wereldoorlog, werd het Stellinggebied zo veel mogelijk in de toestand van vóór de mobilisatie teruggebracht. Sommige forten werden geheel ontruimd, bij andere bleef een minimale bezetting achter. Het idee dat de Stelling een laatste bolwerk zou moeten zijn waarbinnen duizenden mensen zich konden terugtrekken, werd in 1921 losgelaten. Na de Tweede Wereldoorlog zouden de meeste forten een wat sluimerend bestaan gaan leiden. Mede daardoor kregen dieren en planten in deze oases van rust alle ruimte en kon er een uniek ecosysteem ontstaan. De forten aan de Middenweg, Jisperweg en Spijkerboor zijn voor dieren een paradijs, met een grote rijkdom aan bomen en planten. Na honderd jaar eenzaamheid zijn de eens zo ontoegankelijke militaire terreinen veranderd in ware natuureilanden. De ‘rare plekken in de polder’ hebben steeds meer van hun geheime karakter verloren, maar blijven intrigeren als herinneringen aan een oorlog die er niet kwam.

Dit is een verkorte en aangepaste tekst van Hoofdstuk 15 geschreven door John Dehé uit het boek 400 jaar Beemster 1612-2012 (niet meer leverbaar).

Dit verhaal maakt deel uit van de campagne Werelderfgoed.
Klik hier om terug te gaan naar het thema De Beemster.

Publicatiedatum: 25/03/2014