Houtkap in de Hongerwinter

In de winter van 1944-1945 "veranderde het Zaanenbosch in een Zaanenplantsoen" aldus de kroniekschrijver van het Haarlemse jaarboek. Er stonden nog maar een paar bomen overeind in het bos in Haarlem-Noord. De rest was gekapt.

Kolen en cokes waren in die winter alleen voor ziekenhuizen en belangrijke nutsbedrijven bestemd. Op 9 oktober 1944 werd de elektrische stroom afgesloten en anderhalve week later staakten de gasbedrijven hun leveringen. Vanaf eind december tot eind januari vroor het dat het kraakte. De Haarlemmers leden niet alleen honger, ze leden ook onder de kou en ze zaten in het donker. In de huizen werden allerlei soorten noodkacheltjes gestookt met alles wat maar branden wilde. Vooral de bomen moesten het ontgelden. Het kappen van bomen was weliswaar verboden, maar de nood was zo hoog dat dit verbod niet te handhaven viel. De Haarlemmerhout werd met de dag kaler, zo ook het Zaanenbos.

Jacht op hout

Mevrouw L. van Goor herinnert zich nog goed hoe dat bos, waar ze vlakbij woonde, in enkele dagen verdween. ’s Avonds en in de nanacht hoorde ze bijlslagen en het omvallen van bomen. Op een zaterdag met mooi winterweer trok ze zelf het bos in om hout te verzamelen. “Het was haast niet te geloven hoeveel mensen op het Zaanenbos waren afgekomen. Van overal in de stad kwamen ze met karretjes en sleetjes met bijlen en zagen toegestroomd. En hoe gek het ook klinkt: het was bijna een vrolijke boel.” Maar aan die vrolijkheid kon zo een einde komen. Zodra men een politieagent of een Duitse militair zag naderen, rende iedereen het bos uit en wachtte met bijl of zaag achter de rug tot het gevaar geweken was. “Ik zal nooit het gezicht vergeten van een van die Duitsers – de verbazing waarmee hij keek naar de ‘erehaag’ die daar stond.” Veel agenten en Duitsers zagen de illegale houtkap door de vingers, maar er kon toevallig een dienstklopper langskomen die je meenam naar het politiebureau en proces-verbaal opmaakte.

Bekendmaking.

Bekendmaking.

Kale straten

De noodkacheltjes dienden niet alleen om tenminste één kamer in huis warm te houden, er moest ook op gekookt worden. Er was dus altijd behoefte aan hout, zelfs op winterdagen die niet zo erg koud waren. In de zomermaanden en de herfst van 1944 konden de meeste Haarlemmers nog een karig ‘rantsoen’ kolen kopen, maar dat was snel verbruikt. Al in september-oktober moesten de eerste bomen eraan geloven. Dat begon in de directe omgeving, in de tuin en op straat. Mevrouw Versterre woonde in de Bantamstraat en op een morgen toen ze wakker werd, keek ze verbijsterd uit het raam: “Alle bomen waren in één nacht omgezaagd, ongelooflijk.” Kale straten waren al spoedig heel gewoon geworden.

Houtkap.

Houtkap.

Sloop

Er waren in de omgeving van Haarlem nog andere plaatsen waar hout te halen viel. De Duitsers hadden talloze woningen en gebouwen laten slopen ten behoeve van de kustverdediging. In de puinhopen en in de half afgebroken gebouwen zat nog heel wat brandstof: deuren, kozijnen, balken enz. Vooral het bijna geheel afgebroken Velsen had veel te bieden. Dagelijks trokken mannen, vrouwen en kinderen er met allerhande vehikels naar toe. De medewerkers van het illegale blad Haarlemsche Post begrepen de drijfveren van de houtverzamelaars, maar waren er toch niet helemaal gelukkig mee. In maart 1945 schreven ze: “Wij willen in het midden laten of het geheel juist is om op deze wijze indirect mee te werken aan de door de Duitsers bevolen afbraak.” Maar toch konden ze zich voorstellen “… dat men dergelijke buitenkansjes niet onbenut laat op een ogenblik dat men anders zelf in de kou zou komen te zitten”.

Tot op de dag van vandaag

Ruim zeventig jaar na de oorlog lijkt er van het grootschalige bomen kappen geen spoor meer terug te vinden. In de straten en in de parken zijn nieuwe bomen geplant en die hebben inmiddels al weer een respectabele leeftijd bereikt. Maar op de website van de gemeente Haarlem kunnen we lezen dat die herbeplanting niet altijd goed verliep. De naoorlogse schaarste aan meststoffen en boomsoorten bleef niet zonder gevolgen. Er was niet veel keus: “Snel groeiende en goedkope bomen werden toen in de straten geplant, veel linde- en meelbesbomen staan nog steeds in de straten.” Voor het geoefende oog zijn de sporen van de koude Hongerwinter nog steeds zichtbaar.

Bronnen

* David Barnouw, De hongerwinter (Hilversum 1999).
* Ronald Frisart (red.), Kennemerland hongert naar zijn bevrijding (Haarlem 1985).
* Haerlem Jaarboek 1944-1945 (Haarlem 1946).

* Ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Publicatiedatum: 12/01/2011