Hongertocht in de winter van 1944-1945

Tegenwoordig brengen we de Tweede Wereldoorlog vooral in verband met de jodenvervolging. Maar in de eerste twintig jaar na de oorlog dachten Hollanders in de eerste plaats aan de Hongerwinter.

Hongersnood in Nederland was tot de winter van 1944-1945 iets ongehoords. Iets uit ver achter ons liggende eeuwen. Maar in die winter was het bittere werkelijkheid. Er was niet alleen groot gebrek aan voedsel. Brandstoffen als kolen en olie waren haast niet meer te verkrijgen en de centrales leverden geen stroom meer. Bovendien vroor het dat het kraakte. Het einde van de oorlog was nabij. Iedereen hongerde daarnaar, in de meest letterlijke betekenis van het woord.

Oorzaken

Op 17 september 1944 brak een spoorwegstaking uit. De bedoeling daarvan was te voorkomen dat de Duitsers hun troepen gemakkelijk konden verplaatsen om de geallieerden te bestrijden die bij Arnhem een luchtlanding uitvoerden. Die opzet mislukte, maar de staking bleef tot het einde van de oorlog duren. Daardoor kon het voedsel in het land de plaatsen niet bereiken waar het nodig was. Transport met vrachtwagens was uitgesloten omdat er haast geen benzine meer was. Schepen konden in de strenge winter vaak niet varen omdat de waterwegen dichtvroren. De Nederlandse kolenvoorraad bevond zich in Limburg. Die provincie was inmiddels bevrijd en stond onder controle van de geallieerde strijdkrachten.

Ruilhandel

Omdat het in de stad niet te krijgen was, zat er voor veel Haarlemmers niets anders op dan zelf voedsel te gaan halen op het platteland bij de boeren. Soms wel tot in Friesland of Groningen. ‘Hongertochten’ heetten die moeilijke en gevaarlijke reizen. Betaald werd er met geld, vaker nog met spullen. Het geld was niet veel waard omdat er weinig te koop was. Op het platteland bloeide de ruilhandel. In ruil voor kledingstukken, serviesgoed of bijvoorbeeld sieraden kreeg men een zak aardappelen, wat groente enz. Meestal gingen vrouwen, bejaarde mannen of tieners op zoek naar eten. Mannen die tussen 18 en 50 jaar oud waren, konden opgepakt en naar Duitsland gestuurd worden om er te gaan werken. Daarom ging de Haarlemse mevrouw Nieuwenhuizen-Willemsen met haar zuster op pad. Het was haar tweede tocht en ze kwam helemaal in Groningen terecht: “Terwijl je hier [in Haarlem] goudgeld moest betalen voor rogge, kochten we het daar van een boer voor 28 cent per pond. We zijn vier nachten op zijn boerderij gebleven en we gingen volgeladen met eten weer terug naar Haarlem. (…) Tijdens die hongertochten zag je mensen langs de kant van de weg liggen. Die konden niet verder. Die waren dood.” Mevrouw Nieuwenhuizen wist haar kostbare voedselvoorraad naar huis te brengen.

Diefstal

Niet iedereen was zo gelukkig. Het kon gebeuren dat bij een Duitse controlepost de met veel moeite bijeengebrachte levensmiddelen domweg werden afgepakt. Maar de dreiging kwam niet alleen van Duitsers, ook landgenoten waren niet altijd te vertrouwen. Hongerende mensen nemen het niet altijd even nauw met het mijn en het dijn. De heer Stolker uit de Indische Buurt was op weg naar huis met een zak meel. Hij moest even van de fiets voor een sanitaire stop en in een oogwenk had een andere hongerlijder zijn voedsel gestolen.

Bepakt en bezakt op hongertocht.

Bepakt en bezakt op hongertocht.

Boeren en burgers

Stedelingen kijken soms neer op boeren. ‘Boer’ is een scheldwoord. Al snel hadden de boeren de reputatie dat ze veel te veel vroegen. Dat ze profiteerden van de honger en de armoede van de stadsbewoners. Onderzoek na de oorlog toonde aan dat het wel meeviel. Er zaten profiteurs tussen de boeren, maar meestal werden de hongerenden redelijk behandeld. Het ligt overigens voor de hand dat de boeren regelmatig bestolen werden. Als kort na een diefstal een hongerlijder op de stoep stond, liep die kans op een uiterst koele ontvangst.

Tulpenbollen op tafel

In de zeventiende eeuw waren tulpenbollen een luxeproduct. Zelfs in de bloemenstad Haarlem. In ieder verhaal over de hongerwinter duiken tulpenbollen op, maar nu als hét symbool van armoede en voedselgebrek. Tulpenbollen bleken namelijk eetbaar te zijn en omdat de export van de bloembedrijven stil lag, waren er genoeg te koop. In de kranten kon je recepten lezen. Bijvoorbeeld het volgende recept voor stamppot: “Men neme b.v. 2 kg tulpenbollen, 2 kg aardappelen en 4 kg roode kool. De bollen worden afzonderlijk gekookt, de aardappelen met de roode kool. Daarna de stamppot met de bollen afmaken en met een weinig zout of specerijen op smaak brengen.” Over de behandeling van de bollen werd ook advies verstrekt: “Na het zand te hebben afgewasschen, worden achtereenvolgens krans en bast van de bol afgehaald; daarna snijdt men de bol overlangs door en haalt er de groene pit uit. Tulpenbollen worden op dezelfde wijze gekookt als aardappelen, echter met dit verschil dat ze in ca. 7 minuten gaar zijn.”

Voedseldropping.

Op de Rijksweg bij de Velserbroekstraat begroet de bevolking de vliegtuigen met voedsel, richting het noorden. Beeld: geschonken in 1984 door C.M.H. Bosch.

Voedseldroppings

Op woensdagmorgen 2 mei 1945 vloog een vloot geallieerde bommenwerpers laag over Haarlem. Het Duitse luchtdoelgeschut zweeg. De Duitsers hadden voor deze speciale vluchten toestemming gegeven. De Lancasters van de RAF hadden geen bommen bij zich, maar voedselpakketten. Ze wierpen die af op een weiland bij Vogelenzang. De vreugde en opluchting in de stad waren onbeschrijfelijk. Met vereende krachten werden de pakketten naar de fabriek van Droste gebracht en van daaruit begon de uitdeling. Aan de honger kwam een einde en drie dagen later ook een einde aan de oorlog.

Bronnen

David Barnouw, De hongerwinter (Hilversum 1999).
* Ronald Frisart (red.), Kennemerland hongert naar zijn bevrijding (Haarlem 1985).
* Haerlem Jaarboek 1944-1945 (Haarlem 1946).
* Hans Onderwater. Memories of a miracle: memories of the food drops 29 April-8 May 1945-1995 = Herinneringen aan een wonder: herinneringen aan de voedseldroppings 29 April-8 May 1945-1995 (Rotterdam 1995).

* Aanwezig in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Publicatiedatum: 12/01/2011