Heel Holland snuift: de cocaïnegekte van de jaren ’20

De roerige jaren twintig van de vorige eeuw kunnen gezien worden als de bakermat van de moderne cultuur. Het decennium staat bekend om zijn wilde uitgaansleven. Uitgaansgelegenheden als de bioscoop, het cabaret en het (muziek)café schoten als paddenstoelen uit de grond. Bij deze veranderde ‘vermaakcultuur’ raakte ook het gebruik van verdovende middelen als opium, morfine, heroïne en cocaïne in zwang.

Tijdens het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, kwam het Nederlandse uitgaansleven tot bloei. In de grote steden ontstonden muziekcafés, waar ’s avonds optredens werden verzorgd door jazzmuzikanten. Voor spanning bezocht men de bioscoop, een humoristische noot werd verzorgd in het cabaret. In Amsterdam centreerde het nachtleven zich rondom het Leidseplein en het Rembrandtplein. Hier waren allerlei soorten vermaak te vinden, variërend van het theater tot dansgelegenheden voor de verschillende bevolkingslagen.

Al in 1916 had men de dansrage voorzien die het decennium erna zou gaan kenmerken, met de invoering van de Algemene Plaatselijke Verordening. Deze verordening verbood mensen om buiten het huis of het café in het openbaar te dansen. Ondernemers die hier brood in zagen, richtten volop dansgelegenheden in, waar de charleston en de shimmy werden gedanst. Danstenten stonden in de jaren twintig voornamelijk op en rond de Amsterdamse Zeedijk, de plek waar apotheken ook vrijelijk ‘geneesmiddelen’ zoals opium verkochten.

De ‘flapper girls’ van de jaren twintig hadden een kort kapsel, korte rokken en een losse (seksuele) moraal. Zij bevolkten het uitgaansleven in de jaren twintig. Foto: History.com.

Zedeloze jazzmuziek

Een eindje daarvandaan, in de Wagenstraat, werd in 1936 het eerste Nederlandse ‘negercabaret’ opgericht: The Negro Kit Kat Club. De sfeer van deze plaats, evenals de jazzmuziek van de Surinaamse artiesten, riep veel kritiek op. De musici en hun ‘negermuziek’ zouden een bedreiging vormen voor de zedelijkheid van hoofdzakelijk jonge meisjes, aldus hoofdcommissaris van politie Versteeg. Hierop volgde een zeer negatief rapport over jazz en de dansgelegenheden in 1931 en zelfs het verbod op zwarte mensen als personeel en artiesten van cabarets in 1936.

Maar Versteeg was niet de enige die bezwaren had tegen het moderne uitgaansleven. Veel politici deelden de gedachte dat de onbeheerste dansvormen en zedeloze jazzmuziek crimineel gedrag zouden veroorzaken. De Amsterdamse burgemeester Willem de Vlugt (1921-1941) bemoeilijkte het verkrijgen van dansvergunningen en zorgde ervoor dat films constant gecontroleerd en desnoods gecensureerd werden. Daarentegen werden ‘hogere’ cultuuruitingen, zoals tentoonstellingen en theatervoorstellingen, vanuit het stadsbestuur gepromoot, door ze voor een groter deel van de bevolking toegankelijk te maken.

Arthur Parisius (‘Kid Dynamite’), die destijds als jazzsaxofonist speelde in clubs als de Negro Kit Kat club in Amsterdam. Foto: Wouter van Gool. Collectie Nederlands Jazz Archief, Bijzondere Collecties, UvA.

Het witte wondermiddel

Hoe meer mensen er deelnamen aan het uitgaansleven, hoe groter de vraag werd naar genotsmiddelen. Eén van de meest populaire drugs was cocaïne. Cocaïne werd al aan het einde van de negentiende eeuw als medische uitvinding geïntroduceerd in Europa. Artsen als Sigmund Freud en de Nederlandse W. Coert zagen toentertijd nog een medicijn tegen ‘morfinisme’ (de wijdverspreide verslaving aan morfine) in het nieuwe cocaïne. Al snel bleek echter dat cocaïne ook verslavend was en nog destructievere effecten kende dan morfine.

Desondanks ging de cocaïnerage van de hogere klassen door tot in de jaren twintig, de tijd waarin een steeds groter deel van de bevolking er tijdens het uitgaan mee in aanraking kwam. In 1900 was in Amsterdam al de Nederlandsche Cocaïnefabriek (NCF) geopend, die zich richtte op het verwerken van ‘javacoca’ tot cocaïne. De cocaïne van de NCF werd geproduceerd voor het legale, medische circuit. Feestgangers gebruikten vooral cocaïne afkomstig uit de illegale smokkelhandel. Illegale cocaïne werd uit Duitsland ingevoerd in het zuiden en oosten van Nederland, waar het verkocht werd of verder verhandeld naar landen als Frankrijk, België en Engeland.

Waar de NCF rond 1910 nog de grootste cocaïneproducent ter wereld was, raakte Nederland in de decennia die volgden langzaam haar koploperspositie kwijt. De NCF produceerde in 1926 nog zo’n 1025 kilo cocaïne, in 1928 was dit al teruggelopen tot 668 kilo. Die hele tijd werd er beweerd dat de cocaïneproductie slechts een medisch doeleinde diende, maar uit de daling van de cocaïneproductie na 1928 door toegenomen regels omtrent het recreatieve gebruik, bleek dat een groot aandeel toch ter vermaak moet zijn geconsumeerd.

Reclame voor cocaïnedruppels te gebruiken tegen kiespijn bij kinderen, ca. 1900.

‘Dolle honden’

Cocaïnegebruik is in Nederland nooit zo wijdverspreid geraakt als in de Verenigde Staten of het Berlijn van de jaren twintig. Toch werd er vanuit verschillende hoeken fel tegen geageerd. Veelzeggend is een citaat uit een artikel in Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad uit 1931 met de titel ‘Cocaïne. Het gif, dat lichaam en geest doet ontaarden’:

“Laat ieder die met het gebruik van cocaïne begint, weten dat het niet alleen een wapen is dat zich ten slotte tegen den gebruiker zelf keert, maar dat het zich ook tegen anderen, tegen de samenleving keert en dat het sommige menschen tot dolle honden kan maken, die dan niet anders verdienen dan zoo spoedig mogelijk onschadelijk gemaakt te worden.”

Deze gedachte werd destijds door veel mensen gedeeld. Politie en recherche traden dan ook hard op tegen vermeende cocaïnesmokkelaars. Als iemand op heterdaad betrapt werd, kon hij rekenen op een gevangenisstraf en inbeslagname van zijn handelswaar. De meeste smokkelaars waren afkomstig uit Duitsland, met cocaïne geproduceerd in Hamburg of Darmstadt. In Limburgse plaatsen als Roermond en Vaals probeerden ze de drugs van de hand te doen. Cocaïne die niet onderschept werd, had dan nog maar een kleine weg af te leggen naar Amsterdam.

Een uitgesproken mening over cocaïne in het Limburgsch dagblad, 9 oktober 1920. Via Delpher.

Losbandige jeugd

De grootste gebruikers van illegale cocaïne waren, tegenstrijdig genoeg, jongeren uit de hogere klassen en prostituees. Daarmee beperkte het gebruik zich veelal tot de steden Amsterdam en Rotterdam. Wel werd het zuidoosten van Nederland gebruikt als doorvoerhaven naar de rest van Europa. De Nederlandse gebruikers waren echter in de minderheid en daarmee was de rol van cocaïne in Nederland veel kleiner dan in sommige buurlanden.

Toch was het sentiment tegen de drug groot. De bezwaren, onzedelijkheid en losbandigheid, waren dezelfde bezwaren die men tegen het moderne uitgaansleven had. Daarmee geven de meningen uit de jaren twintig tevens blijk van een tijdsbeeld, waarin oudere generaties simpelweg moeite hadden om te wennen aan de nieuwe cultuur van de jongere generatie. De gedachte dat vroeger alles beter was, blijkt zo maar weer eens van alle tijden te zijn.

Gebouw van de Nederlandse Cocaïnefabriek aan de Eerste Schinkelstraat te Amsterdam.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

  • Ton Nabben, High Amsterdam. Ritme, roes en regels in het uitgaansleven (Amsterdam 2010).
  • Friedrich Hacker, Gebruik en misbruik (Baarn 1981).
  • Harm Kaal, Het hoofd van de stad. Amsterdam en zijn burgemeester tijdens het interbellum (Amsterdam 2008).
  • Gemma Blok, Ziek of zwak. Geschiedenis van de verslavingszorg in Nederland (Amsterdam 2011).
  • Richard Davenport-Hines, The pursuit of oblivion. A global history of narcotics, 1500-2000 (Londen 2001).
  • Marcel de Kort, Tussen patiënt en delinquent. Geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid (Hilversum 1995).
  • H. van der Hoog, ‘Cocaïne. Het gif, dat lichaam en geest doet ontaarden’, Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad, 8 maart 1931.
  • Arrestatieberichten uit Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad (1922-1936), geraadpleegd via Delpher.

Publicatiedatum: 05/03/2020