Haarlemse dwangarbeiders in Duitsland

In de namiddag en vroege avond van woensdag 6 december 1944 vertrokken vanaf het station Haarlem twee treinen naar Amsterdam. In de wagons zaten bijna 1300 mannen uit Haarlem, Bloemendaal en Heemstede. 's Morgens hadden ze de schrik van hun leven gehad. In hun brievenbussen troffen ze een 'Bevel' aan, bestemd voor alle mannen in de leeftijdscategorie 17 t/m 40 jaar, om ogenblikkelijk op straat te gaan staan, voorzien van warme kleding en voeding. Ze zouden naar Duitsland afgevoerd worden om daar voor de vijand te gaan werken. Haarlem, Bloemendaal en Heemstede waren in de nacht omsingeld door Duitse troepen. Soldaten en Duitse politiemannen trokken de wijken en straten in, doorzochten de huizen en dreven de mannen bijeen. Na ruim een half jaar keerden ze terug, maar niet allemaal. De Haarlemse dwangarbeiders hadden het slecht getroffen. Ze werden tewerkgesteld in het dorp Rees, vlak over de grens aan de Rijn. Daar heerste een schrikbewind.

De Sinterklaasrazzia

De actie van de Duitsers op 6 december ging de geschiedenis in als de ‘Sinterklaasrazzia’. Met het begrip ‘razzia’ werd tijdens de oorlog een door de Duitsers georganiseerde klopjacht aangeduid. Het doel van die klopjachten was meestal het opsporen van joden en onderduikers. Maar in de laatste maanden van 1944 werden ook mannen opgepakt die in Duitsland werden ingezet in het kader van de zogenaamde ‘Arbeitseinsatz’ oftewel de arbeidsinzet. In Duitsland was de ‘totale oorlog’ uitgeroepen. Bijna alle mannen, zelfs jongens en bejaarden, moesten naar de fronten. Om de (oorlogs)industrie draaiende te houden, zette Duitsland krijgsgevangenen in, maar ook gevangenen uit de concentratiekampen en arbeidskrachten uit de bezette landen. In de periode tussen ongeveer oktober 1944 en februari 1945 werden zo’n 140.000 Nederlandse mannen als dwangarbeider afgevoerd.

Goede en slechte Duitsers

Naar verluidt hoopten de Duitsers op 6 december zo’n zevenduizend mannen op te pakken. Waar ze waarschijnlijk niet op rekenden, was op tegenwerking in eigen gelederen. Er zijn nogal wat verhalen over Duitse soldaten die er met de pet naar gooiden. Het ouderlijk huis aan de Heussensstraat van de destijds dertienjarige Henk Wieringa moest worden doorzocht door een oude Duitse soldaat. Vader Wieringa had zijn kinderen die jonger waren dan zeventien jaar voor het raam gezet, de anderen hielden zich verborgen. Hij had als doopsgezinde erg veel moeite met liegen en antwoordde op de vraag waar zijn kinderen waren: “Mijn kinderen staan voor het raam.” De Duitse soldaat geloofde het allemaal wel en zei: “Ik blijf hier even staan, ik doe dit ook niet voor mijn plezier. Maar tegenover mijn collega’s moet ik de schijn ophouden.”  De huizen van de buren, zo vertelt Henk, werden echter wel degelijk grondig doorzocht. Maar ook daar werden de goed verborgen mannen niet gevonden. Elders in Haarlem ging het er tijdens de klopjacht nog heftiger aan toe. Piet Lokman, een zeventienjarige jongeman, werd tijdens zijn vlucht met een bootje op het Zuider Buiten Spaarne beschoten en overleed enige uren later aan zijn verwondingen.

Bekendmaking verblijfplaats van de dwangarbeiders.

Het transport

De mannen uit Haarlem en omgeving werden eerst in Amsterdam in een loods aan de Levantkade ondergebracht. Een poging om ze vervolgens, dicht op elkaar gepropt in het ruim van een aantal rijnaken, over het IJsselmeer te vervoeren naar Kampen mislukte. Het stormde hevig en de boten keerden weer terug. Daarna ging het per trein van Amsterdam naar Rees. Die trein werd soms beschoten door geallieerde vliegtuigen en reed vaak niet erg snel. Van die gelegenheid maakten waarschijnlijk meer dan 250 mannen gebruik om uit de trein te springen. Sommigen bekochten die sprong met de dood, veel anderen wisten onder te duiken of weer in Haarlem terug te keren. We gaan ervan uit dat ongeveer duizend mannen terechtkwamen in het kamp Rees.

Kamp Rees

Het kamp Rees was een oude steenfabriek. De Haarlemmers troffen er een grote groep dwangarbeiders aan uit Delft, Den Haag en Apeldoorn. In januari kwamen er nog tientallen burgergevangenen uit Rusland, Frankrijk, België, Polen en Italië. Op het ‘hoogtepunt’ werkten er meer dan drieduizend mannen, bewaakt door enige tientallen gewapende Duitsers. Droogschuren met lekkende daken en zonder muren deden dienst als overnachtingsplaats. Stapels strobalen vormden een tochtige afscheiding van de buitenlucht. Op de koude, harde vloer lag wat stro. Daarop sliepen de mannen, lijf aan lijf om nog wat warmte vast te houden. Binnen de kortste keren was alles en iedereen klam en vochtig. Het eten bestond meestal uit slappe soep en enige brokken brood. Veel te weinig voor het zware werk. Uit een pomp kwam roestig water. Voorzieningen om je behoefte te doen schoten hopeloos tekort.

Treinwagons bekladderd door de dwangarbeiders uit Duitsland, 1945. Collectie Noord-Hollands Archief.

Ontberingen

In de koude, harde wintergrond moesten de dwangarbeiders in groepen van vijftig man schuttersputten, loopgraven en tankgrachten aanleggen. Door de tekortschietende voeding en de belabberde onderkomens verslechterde de conditie van de mannen al snel. Ze vermagerden zienderogen; ziekten als dysenterie braken uit. Op het kampterrein lagen poelen fecaliën en al dan niet bevroren plassen urine. Bovendien waren lijfstraffen en mishandeling aan de orde van de dag. De Haarlemmer Piet Baan herinnerde zich het nog allemaal heel goed. Bar en boos was het: “Je kon die Duitsers toch geen mensen meer noemen. Bij het minste of geringste ‘vergrijp’ kreeg je met de knuppel. Die ellendelingen. En je kon niets terug doen. (…) En o wee als je ziek was …. als je ’s morgens van ellende bleef liggen, als je echt niet meer kon. Dan kwam er zo’n mof op je af en die knuppelde je weer uit het stro.” Alleen de zeer ernstige gevallen gingen naar de ziekenbarak. Al voor het einde van het jaar stierven tientallen mannen aan de ontberingen. Daarna werd het alleen maar erger. Sommige doodzieke slachtoffers werden afgekeurd en mochten naar huis.

Hulp

Veel Duitse bewoners van Rees gruwden van het kamp bij hun dorp. Ze gaven wat voedsel of kledingstukken hoewel ze daarmee inhouding van hun eigen rantsoenen riskeerden. Sommige dwangarbeiders ontsnapten en wisten, geholpen door Duitse boeren, te voet Gelderland te bereiken. De Achterhoek lag vlakbij. Geschrokken door de verluisde en sterk vermagerde toestand waarin de ontsnapten verkeerden, zetten Achterhoekers in de tweede helft van januari 1945 een grote actie op touw. Semi-legaal en illegaal slaagden ze er in honderden Nederlanders uit het kamp te redden. Ze werden opgevangen in noodhospitalen. Ook uit Bloemendaal en Haarlem kwam een reddingsactie op gang. Toen Rees op 23 maart bevrijd werd door Schotse troepen waren de meeste mannen al weg. Maar voor ongeveer driehonderd Nederlanders kwam de hulp te laat. Van 81 mannen uit Haarlem, Bloemendaal en Heemstede staat vast dat ze het leven lieten in het kamp of in de noodhospitalen. Dat vaststaande aantal moet echter vermeerderd worden met tientallen vermisten die ook omkwamen.

Terugkeer van tewerkgestelde arbeiders (Haarlemmers) uit Duitsland. Fotobestelling bij het Foto- en Grafisch Centrum, 1945.

Bronnen

* Ronald Frisart (red.), Kennemerland hongert naar zijn bevrijding (Haarlem, 1985).
* Jan Krist, De hel van Rees. Dwangarbeiderskamp (2e druk, Bedum 1989).
* Dick Verkijk, De Sinterklaasrazzia van 1944 (Soesterberg 2004).

* Ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Publicatiedatum: 12/01/2011