Eten en voedselvoorziening in oorlogstijd

Net als overdaad en welvaart horen schaarste en hongersnood ook tot de culinaire geschiedenis van Noord-Holland. In extreme vorm vond dit voor het laatst plaats tijdens de Hongerwinter aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. In de winter van 1944-1945 werd de Nederlandse bevolking zwaar op de proef gesteld.

Maar liefst 20.000 mensen kwamen om van de honger en de kou, met name in West-Nederland. In deze barre tijd probeerde men met de grootste inventiviteit te overleven, vooral in het vinden en bereiden van voedsel. Het Verzetsmuseum in Amsterdam beschikt over indrukwekkend materiaal waarmee de overlevingsstrijd van de Nederlandse bevolking verteld kan worden.    

Levensmiddelen ‘op de bon’

Al voor de bezetting bestond in Nederland een distributiesysteem om schaarse levensmiddelen eerlijk te verdelen. Deze producten kan men alleen verkrijgen op vertoon van distributiebonnen die door de overheid zijn uitgegeven. Tijdens de  bezetting daalt het levenspeil. Invoer over zee is onmogelijk en veel goederen worden naar Duitsland afgevoerd. Van koffie, thee en tabak zijn al snel alleen nog surrogaatproducten verkrijgbaar. Steeds meer producten  komen ‘op de bon’. Het  rantsoen wordt steeds  kleiner en  het  distributiesysteem ingewikkelder. Ook producten op de bon zijn soms moeilijk verkrijgbaar. Vaak staan er lange rijen voor de winkels. Door benzinegebrek rijden er bijna geen auto’s meer. Er verschijnen fietsen met houten banden en autopedwielen. Bussen gebruiken alternatieve brandstof. Trams en treinen rijden minder vaak en worden steeds voller.

Bonnenkaarten.

Een vel met bonnen waarmee je van alles kon kopen, uitgegeven door de gemeente Amsterdam. In dit geval gaat het om bonnen voor aardappelen, algemeen, boter, reserve en melk. Foto: Collectie Verzetsmuseum, Amsterdam.

Valse bonkaarten

In de loop van de bezetting groeit het aantal onderduikers tot ruim 300.000 in 1944. Joden vormen in 1942 de eerste grote groep. Later volgen studenten, voormalige militairen en de jonge mannen die niet in Duitsland willen werken. Ook veel verzetsmensen leiden een ondergronds bestaan. In het dichtbevolkte Nederland is het moeilijk om veilige schuilplaatsen te vinden. Bovendien hebben onderduikers voedingsmiddelen en dus distributiebonnen nodig, valse identiteitspapieren en geld. Het is niet makkelijk om onderduikers in huis te nemen. Er ontstaan overal groepjes die de onderduikhulp gaan organiseren. Eind 1942 wordt de ‘Landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers’ (LO) opgericht, waarin veel bestaande groepen opgaan. Vanaf augustus 1943 organiseert de LO een netwerk van ‘Landelijke Knokploegen’ (LKP), die distributiekantoren overvallen om bonkaarten buit te maken. Deze bonkaarten worden aan families gegeven die onderduikers in huis hebben. Ambtenaren die in het verzet zitten drukken in het geheim meer bonkaarten uit dan is toegestaan, zodat er extra voedsel beschikbaar is voor onderduikgezinnen.

Bonnencorset.

Zwangerschapscorset met distributiebonnen. Grote hoeveelheden bonkaarten worden bijvoorbeeld vervoerd door koeriersters die doen alsof ze zwanger zijn. Aanvankelijk is er een landelijke beurs waar onderduikers werden ‘aangeboden’ en bonkaarten verdeeld. Later wordt de uitwisseling provinciaal georganiseerd. Foto: Collectie Verzetsmuseum, Amsterdam.

Hongersnood

In september en oktober 1944 worden grote delen van Zuid-Nederland bevrijd, soms na felle gevechten. De bevrijding wordt uitbundig gevierd. Daarna volgen teleurstelling en ergernis. Er is een nijpend voedselgebrek, de oorlogsschade wordt nauwelijks hersteld en Duitse beschietingen richten nieuwe schade aan. En het grootste deel van Nederland blijft bezet door de Duitsers. De bevolking moet nog tot het voorjaar van 1945 op de bevrijding wachten, tijdens een winter vol ontberingen. In West-Nederland heerst hongersnood.

Spoorwegstaking

De Nederlandse regering in Londen roept in september 1944 op tot een staking van het spoorwegpersoneel. Het Duitse troepentransport moet worden lamgelegd omdat de geallieerden luchtlandingen willen uitvoeren. De verwachting is dat na een paar weken de bevrijding zal volgen. Maar de luchtlandingen mislukken bij Arnhem. De Spoorwegstaking is evenwel een succes: 30.000 man spoorwegpersoneel duikt onder, met financiële steun vanuit Londen. Toch valt het resultaat van de staking tegen. De Duitsers gebruiken eigen treinen voor hun troepenvervoer. In de Duitse propaganda wordt erop gehamerd dat de staking alleen negatieve gevolgen heeft voor de voedselvoorziening van de Nederlandse burgers. Voortzetting  van de Spoorwegstaking wordt een prestigekwestie. De staking duurt voort tot de bevrijding.

Propaganda tegen de Spoorwegstaking.

De Duitse propaganda benadrukt dat de Spoorwegstaking alleen maar honger en ellende veroorzaakt voor de eigen bevolking. De Duitsers hebben er niet veel last van want de soldaten worden met Duitse treinen vervoerd. De staking wordt toch doorgezet tot aan de bevrijding. Foto: Collectie Verzetsmuseum, Amsterdam.

Hongerwinter

Als reactie op de Spoorwegstaking wordt het voedseltransport naar West-Nederland verboden. Na zes weken wordt het verbod ingetrokken, maar de toevoer blijft gestremd door het onttakelde spoorwegnet en de Duitse vordering van goederen. In de strenge winter van 1944/45 heerst er in de steden grote hongersnood. Ook de aanvoer van kolen uit het bevrijde zuiden valt weg. Gas en elektriciteit worden afgesloten. Om aan brandstof te komen kappen de mensen bomen en slopen ze leegstaande huizen. De hoeveelheid voedsel die op de bon kan worden verkregen daalt gestaag. Stadsbewoners maken ‘hongertochten’ naar het platteland. Ze ruilen bij boeren kostbaarheden voor voedsel. Meer dan 20.000 mensen sterven van de honger.

Kinderen op hongertocht.

Een gezin met handkar op hongertocht. Foto: Collectie Verzetsmuseum, Amsterdam.

Hongertochten

In de grote steden van de Randstad heerst hongersnood onder de stadsbevolking. Om toch te overleven maken de stedelingen hongertochten naar boeren buiten de stad. Aanvankelijk eerst in de nabije omgeving, maar als de boeren niet meer aan deze vraag kunnen (of willen) voldoen, trekken de mensen steeds verder het land in. Soms zelfs tot in Friesland of de Achterhoek. Lopend met handkar, fiets, kruiwagen of kinderwagen gaan ze naar het plattelandDaar proberen ze waardevolle spullen te ruilen voor voedsel: melk, spek, aardappels, uien, kool, wortelen. Dat ruilen valt op den duur niet mee. De boeren hebben dan al zoveel tafelzilver, linnengoed en dergelijke dat ze niet meer hoeven.

Papkaart.

Er zijn kaarten waarmee de meest ondervoede stadsbewoners extra voedsel kunnen krijgen. Deze kaart was bestemd voor inwoners van de Amsterdamse wijk De Baarsjes. Foto: Collectie Verzetsmuseum, Amsterdam.

Ondervoeding

De voedingswaarde van het dagrantsoen dat men op de bon kon kopen daalde steeds verder. In december 1944 is het 550 calorieën, in februari 1945 nog maar 340 (gemiddeld heeft een mens 2000 calorieeën per dag nodig). Er worden diverse initiatieven genomen om de hongersnood te bestrijden. De gezamenlijke kerken brengen 50.000 ondervoede stadskinderen onder in Noord- en Oost-Nederland. Eind januari 1945 voert het Zweedse Rode Kruis per schip meel aan. Pas een maand later kan het legendarische Zweedse wittebrood worden uitgedeeld. In april droppen geallieerde vliegtuigen, met toestemming van de Duitsers, voedselpakketten boven Nederland. Op 2 mei worden geallieerde vrachtwagens met voedsel toegelaten. Het valt overigens niet mee om een eerlijke verdeling te organiseren. Het meeste voedsel kan pas na de bevrijding worden uitgedeeld.

Zweeds witbrood.

Eind januari 1945 brengt het Rode Kruis een grote hoeveelheid meel naar Nederland. Het komt per schip uit Zweden aan. Pas een maand later kan het legendarische Zweedse wittebrood worden uitgedeeld. Veel mensen denken nog steeds dat de Zweedse wittebroden uit de lucht kwamen vallen, maar dat is dus onjuist. Foto: Collectie Verzetsmuseum, Amsterdam.

Oproep aan de boeren

De Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers doet in het voorjaar van 1945 een dringende oproep aan de boeren van Noord-Holland om zo veel mogelijk vroege aardappelen en groente te telen. De bevolking van bezet Nederland heeft dringend voedsel nodig. Uitstellen van de oogst wordt als ontrouw en onvaderlands beschouwd. Het is de plicht van de boeren om de noodlijdende bevolking van voedsel te voorzien via de normele kanalen, dus niet via de zwarte markt. De opdracht van de LO laat niets aan duidelijkheid over: “leveren, leveren….leveren. Omdat het moet. Terwille van ons noodlijdend volk.”

 

Oproep van de LO aan de boeren van Noord-Holland.

Oproep van de LO aan de boeren van Noord-Holland. Foto: Collectie Verzetsmuseum, Amsterdam.

Publicatiedatum: 29/01/2013