Dirk Weijtingh: boer in de Volendammer Meer

De geschiedenis van de familie Weijtingh is onlosmakelijk verbonden met Volendam. Drie opeenvolgende generaties bestierden als ‘meereboer’ de boerderij met bijbehorende molen in de Volendammer Meer. In deze zeventiende-eeuwse polder maakten ze lief en leed door en deden ze ondertussen hun best om de voeten droog te houden.

Book 8 min

In 1357 groeven de Edammers een kortere verbinding tussen het Purmermeer en de Zuiderzee en sloten daarna met een dijk hun oude haven af. Het toen nog kleine vissersplaatsje dat daar aan de monding lag, verkreeg zo haar toenmalige naam ‘Follendam’. Boeren en vissers uit de omgeving vestigden zich in de jonge nederzetting.

Deze afgedamde haven was in feite een oude uitmonding van het IJ, die Voor-IJ of Volendammer Meer genoemd werd. Omdat het meer bij stormen groeide en een gevaar vormde voor de omgeving, leek inpolderen een effectieve én lucratieve oplossing. Het verlanden van dit water gaf in 1631 de doorslag ‘sulck cleijn waterken’ te bedijken en droogmaken. Op 16 december werd het octrooi verleend. Na de bedijking maalden twee watermolens het meer droog.

Detail van kaart met Volendammer Meer, 1906. Collectie Waterlands Archief.

De polder wordt verkocht

Tot 1830 heeft men de polder echter niet voldoende droog kunnen houden, onder meer door dijklekkage, waardoor in het gebied alleen veeteelt mogelijk was. Ook heeft de gemeente Edam altijd moeite gehad met het innen van de pacht en met de pachters te laten voldoen aan de pachtovereenkomsten.

In de negentiende eeuw keerde het tijd voor de gemeente, toen ze vanwege gebrek aan financiële middelen de Volendammer Meer moesten verkopen. Het poldertje kwam in 1817 in bezit van Jan Karper uit Middelie. Na zijn dood verkocht zijn weduwe het gebied aan de knecht, Pieter Jans Garms, die er tien jaar lang de ‘meereboer’ bleef. Hiervoor moest Garms wel het hele bedrag van zevenduizend gulden lenen van boer Jacob Dirksz Hartog uit de Purmer.

Toen Garms overleed, gaf de gemeente Edam de Meerboerderij met bijbehorende molen in pacht aan Dirk Weijting. Nadat Dirk in 1833 trouwde met Garms weduwe, Maartje Cornelis Spaans, kon hij zelfs de gehele meer aankopen. De vraag komt hierbij op waar hij de durf en het benodigde kapitaal vandaan haalde. Daarvoor gaan we eerst een stukje terug in de tijd.

Natte voeten in de Volendammer Meer, ca. 1900. Collectie Waterlands Archief.

Een onzeker bestaan

De vroegst bekende voorvader van het geslacht Weijtingh stamt uit Bremen. Daar werd omstreeks 1702 Wilhelmus Weijtingh geboren. Hij emigreerde naar de stad Groningen en was er militair. Ook zijn zoon Derk woonde en werkte daar als militair. Diens zoon Herman, eveneens militair, vertrok naar Breda, eveneens een garnizoensstad. Herman was ondernemend en was naast zijn militaire carrière boekverkoper. Maar ook als militair liet hij zich niet onbetuigd en klom op in de administratie waar hij eindigde als gepensioneerd onderinspecteur van de militaire administratie en nadien als gepensioneerd majoor. Ook de boekenverkoop bleek een succes, want hij werd later boekhandelaar.

Ondertussen was Herman getrouwd, maar zijn huwelijk eindigde al na drie jaar met het overlijden van zijn 28-jarige echtgenote, die twee kinderen achterliet. Daarna ging Herman een nieuwe relatie aan, die eveneens kort duurde en twee kinderen voortbracht. Ook zij overleed op 28-jarige leeftijd. Een derde relatie met Gerritje Hendriks van Willigen bracht hem een zoon: Dirk, die op 13 augustus 1802 in Breda werd geboren. Deze relatie eindigde voor 1811. Daarna volgde in 1811 een vierde relatie, en tweede huwelijk, met een dame uit Beusichem, dat nog vier kinderen voortbracht. In die tijd was het leven en het bestaan erg onzeker. Zeker voor een vrouw, maar daarmee voor de echtgenoot niet minder.

Molen en Meerboerderij van de Volendammer Meer, ca. 1900. Collectie Waterlands Archief.

Goed bedeeld

Waarschijnlijk heeft Herman zijn zoon Dirk financieel goed kunnen en willen bedelen. Dat valt af te leiden uit zijn in 1821 ingaande pensioen als onderinspecteur van de militaire administratie, terwijl hij nog steeds in actieve dienst was en al enige keren was bevorderd. Dirk trok naar Edam, waar hij in 1830 de Volendammer Meer met boerderij en molen pachtte. Zijn aankoop van de gehele Volendammer Meer in 1833 was mogelijk met behulp van enig vermogen van zijn vrouw. Maar ook de daaraan voorafgaande jaren zal hij vast met een positief saldo hebben afgesloten.

Het valt op dat Dirk slechts twee kinderen kreeg, waarvan het eerste voortijdig overleed. Zijn dochter Eefje Weijting trouwde met Sijmen (Simon) Buijs. Dat gezin bracht zes kinderen voort. Sijmen liet voor zijn oudste zoon Dirk, genoemd naar zijn schoonvader, in 1870 de boerderij Weltevreden langs het Volendammerpad (het huidige Edammerpad) bouwen; dit pand staat er nog. De andere kinderen vonden op boerderijen elders onderdak of trouwden daar in.

Boerderij Weltevreden langs het Edammerpad in Volendam, 1999. Collectie Boerderijenstichting Noord-Holland.

Onderduiken in de hooiberg

Zoon Dirk huwde Maria (Marij) Kater. Samen kregen ze zes kinderen op Weltevreden. Nadien verhuisden zij naar de Meerboerderij, waar nog eens drie kinderen ter wereld kwamen. Helaas overleed Dirk op 36-jarige leeftijd tijdens een griepepidemie in 1895 en bleef Marij alleen met negen kinderen achter. Ze deed haar best het bedrijf voort te zetten, met behulp van de oudste zoon Simon, toen nog geen zestien jaar, die al spoedig in de vaderrol stapte. Simon had een vrije geest, zo blijkt uit een anekdote waarin hij een koe op de markt in Purmerend verkocht en met een racefiets thuis kwam.

Enige tijd later keerde hij van de Purmerendse markt terug met een minder leuk verhaal. De politie zat achter hem aan en hij verzocht zijn moeder om niets te zeggen. Simon dook onder in de hooiberg van de Meerboerderij. In een café aan de markt had hij ruzie gekregen omdat hij werd uitgescholden. Hij daagde de persoon die hem had uitgescholden uit om zijn scheldwoorden te herhalen. Toen deze dat deed, greep hij een keu en sloeg die man een half oor af.

Maria (Marij) Kater en haar echtgenoot Dirk Buijs. Foto’s uit: Kees Bootsman, Het pad. Een landweg met geschiedenis (1983).

Uit huis geplaatst

Na onder meer slager te zijn geweest, schopte Simon het ironisch genoeg tot politieagent in Haarlem. Dat ging hem goed af, gegeven de volgende overlevering. De uitbetaling van weekloon gebeurde in die tijd veelal in de kroeg. Dat werd ruim besteed aan drank en er ontstonden vaak ruzies en vechtpartijen. Simon werd er dan met een collega op uitgestuurd om orde op zaken te stellen. Daartoe grepen zij ieder een barkruk en veegden zo het café schoon.

Het vermelden waard is dat Simon over grote handen beschikte en op hoge leeftijd nog iemands hand kon kraken. Datzelfde wordt verteld van kleinzoon Siem van Eefje en Sijmen, die met Neeltje Davids trouwde. De ouders van Siem waren Jan, de jongste broer van Dirk Buijs, en Dirkje Wijhenke. Siem werd de laatste boer op de Meerboerderij en bracht zijn laatste levensjaren door aan het Heerenbreeckplantsoen in Volendam.

De overlevering wil dat een paar jaar na het vroegtijdig overlijden van Dirk de familie in beraad ging en meende dat Marij in haar eentje op deze boerderij een goede bedrijfsvoering in de weg zou staan. Eerst kon het gezin nog twee jaar op Weltevreden wonen, maar werd daarna in 1905 op de stadsboerderij van de familie aan de Gevangenpoortsteeg ‘geplaatst’. Hier werd hun boerenbestaan tot 1920 voortgezet. Vrijwel alle kinderen van Marij waren toen de deur al uit. Er wordt niet vermeld wie in 1905 zijn intrek op Weltevreden nam. Marij trok uiteindelijk in bij haar dochter Elisabeth, die in Haarlem woonde. Ze is haar Westfriese afkomst trouw gebleven door daar altijd in klederdracht te blijven lopen.

Dirkje Wijhenke en haar echtgenoot Jan Buijs. Dit waren de ouders van Siem Buijs, de laatste ‘Mereboer’. Siem Buijs was hun enige zoon. Hij trouwde met Neeltje Davids uit de Purmer. Foto’s uit: Kees Bootsman, Het pad. Een landweg met geschiedenis (1983).

Een noodlottig huwelijk

De tegenhanger van het levensverhaal van Simon is dat van zijn zus Eefje. Marijs dochter Eefje, geboren in 1885, trouwde in 1909 met de weduwnaar Jan Ouwejan, een veehandelaar die al twee kinderen had uit een vorig huwelijk. Samen kregen zij nog eens zes kinderen, waarvan er drie zeer vroegtijdig overleden. Tot 1919 was Eefje kastelein in hun café ‘De Kaashandel’ aan de Kaasmarkt in Edam; voor zover bekend was daarin later lange tijd een glas-in-loodmakerij gevestigd.

Toen Eefje kenbaar maakte niet meer in Jan te geloven, maakte hij in 1919 een eind aan zijn leven. Zij overleefde door werkhuisjes, bij onder meer het gezin van een gegoede zus in Edam en een kaaswinkeltje. Toen de inkomsten van het kaaswinkeltje teveel terugliepen, ging ze als filiaalchef bij Simon de Wit in Deventer werken. Nadien verhuisde ze naar Haarlem en kwam ze te wonen in dezelfde buurt als haar moeder. Tot die tijd bleven haar drie dochters bij haar. Toen haar laatste dochter het huis verliet, zat Eefje zonder middelen en verkreeg zij in 1939 onderdak bij haar oudste dochter in Huizen. Zij overleed hier in 1963.

Vader en moeder Ouwejan met hun dochtertje Marietje. Zij exploiteerden in Edam op de Kaasmarkt het café-logement ‘De Kaashandel’. Foto uit: Kees Bootsman, Het pad. Een landweg met geschiedenis (1983).

Auteur: Fred van Daalen

Voor Oneindig Noord-Holland is het artikel geredigeerd door redacteur Sarah Remmerts de Vries.

Bronnen:

  • Parenteel Wilhelmus Weijtingh.
  • Kees Bootsman, Het pad. Een landweg met geschiedenis (1983). Dit boek is onder meer te raadplegen in het Volendams Museum.
  • Molendatabase: Volendammer Meer.

Publicatiedatum: 27/01/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

1 reactie

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN